Terwijl ik de trein instapte vanochtend, bedacht ik me dat mijn broer vandaag jarig is. Mijn broer. Acht jaar ouder. Hoe lang is het geleden dat we elkaar gezien of gesproken hebben? We sturen kaarten met Kerst, bij geboorte en verhuizing, maar verder blijf ik op de hoogte via mijn zus en mijn ouders. We hebben geen conflict, we hebben geen ruzie, maar onze werelden zijn zo verschillend dat communicatie een doodlopende steeg blijkt. Wanneer is de laatste keer geweest dat mijn broer belangstelling had voor mij, voor wat mij bezig houdt, het werk dat ik doe, de kinderen die ik heb? Ik kan het me niet eens herinneren! Ik zou hem kunnen bellen om hem te feliciteren, maar ik vrees de teleurstelling.

De wereld is van wie niet voelt. De essentiële voorwaarde om een praktisch mens te zijn, is het ontbreken van sensibilteit. De voornaamste eigenschap in de praktijk van het leven is de eigenschap die leidt tot handelen, dat wil de zeggen, de wil. Nu zijn er twee dingen die het handelen belemmeren – de sensibiliteit en het analytisch denken, dat uiteindelijk niet meer is dan het denken met gevoel. Elk handelen is van nature de projectie van de persoonlijkheid op de buitenwereld, en daar de buitenwereld voor het grootste en belangrijkste deel bestaat uit menselijke wezens, volgt daaruit dat die projectie van onze persoonlijkheid in wezen het doorkruisen is van de weg van een ander, het hinderen, verwonden en vernietigen van de anderen, al naargelang onze handelwijze.

Fernando Pessoa Boek der rusteloosheid, 327

De trein naar Amsterdam wordt omgeleid, de wissels zijn gestoord. De trein zoeft door het Gooise matras en ik lees een verhaal over verval in een tijdschrift voor actuele literatuur over dystopie en apocalyps in de literatuur. Een man wordt uitgezonden naar het Midwesten om voedsel te zoeken. Hij vindt er slechts uitgehongerde mensen die in hem de beloofde messias zien. Dat wordt hem uiteindelijk fataal. Als de trein het station binnen rijdt, weet mijn hoofdpersoon dat hij ter dood veroordeeld zal worden. De schrijver is Brian Evenson. Hij werd door de Mormoonse gemeeschap waar hij deel van uitmaakte uitgekotst om zijn literatuur. Zou Brian Evenson een jarige broer hebben?

Wel heb ik een laatste verzoek. Ik vraag u na mijn dood mijn lichaam in stukken te rijten en die aan mijn volgelingen te geven. Hoewel ik een ketter blijf, is het volgens mij de enige manier om een eind te maken aan mijn cultus. Laat hen die deel willen hebben aan mijn lichaam, nemen en eten, zodat ik de cirkel tenminste heb gesloten, mijn schedel wordt bijgezet op een stapel schedels in het Midwesten, en mijn leeggezogen gebeente verspreid over de vlakte om er te verbleken. En als ik dan niet uit de dood verrijs, als ik niet voor hen in een wit kleed verschijn, geflankeerd door Finger, misschien komt er dan een eind aan dit alles.

En als ik wel verrijs en de windselen des doods afleg om het kleed der levenden in hernieuwde glorie te tonen? Laat dan duidelijk gezegd zijn dat het al te laat is voor u allen, want ik zal geen olijftak voeren, maar een zwaard. Hij slaat met machtige arm, en als hij slaat, zult gij voorzeker sterven.

Brian Evenson Een verantwoording
In: Deus ex machina 123, 25

In Amsterdam blijft de tram lang staan, terwijl trams die ik ook had kunnen nemen vertrekken. Het is zo'n dag, het is zo'n ochtend. Ik troost me met de gedachte dat al die extra reistijd ook extra leestijd is. Het laatste deel van de reis probeer ik vat te krijgen op Vouwplannen van Ruth Lasters. Twintig minuten later dan gebruikelijk kom ik aan op mijn werk. Ik denk mijn broer is jarig, ik moet hem toch bellen vanavond, laat ik dat nou maar gewoon doen. Dat dacht ik vorig jaar ook. En volgend jaar zal ik het, wellicht, ook denken. Ik ben geen praktisch mens.