Als het licht wordt, word ik wakker. Zoals altijd draai ik mij dan om om het koffiezetapparaat op de koelkast aan te doen. Dan trek ik laken en deken aan de kant om mijn voeten buiten boord te hangen. Ik neem het pakje Samson om een sjekkie te draaien. Terwijl ik de sensatie van het eerste trekje van de dag door mij heen laat gaan, besef ik dat het zondagochtend is. Het geluid van kerkklokken vermengt zich met het gorgelen van het koffiezetapparaat. Dankzij de geluiden hangt er een stilte in de ruimte, een verwachtingsvolle stilte. Ik kijk naar mijn studieboeken, ik weet dat ik vandaag aan het werk moet en ik weet dat ik het niet zal doen. Straks komt Reiziger en er is nog een brief aan Haar te schrijven. En boeken die gelezen moeten worden. Ik zit op de rand van mijn bed en er is een dag tot mijn beschikking, een lange dag, helemaal alleen, zeeën van tijd. Ik zal iets doen, maar niets in het licht van de eeuwigheid. De balkondeur open om frisse lucht binnen te laten. De lucht is vochtig, de bomen laten druppels vallen. Er is niemand buiten. (Schwere Tropfen seh ich schweben / An der Blätter grünem Saum). De muziek van Bach troost me tijdens het maken van mijn ontbijt. (Brich dem Hungrigen dein Brot). Ik lees haar brief nog eens, geniet van het mooie handschrift, haar vrolijke en milde blik op de mensen. Dat het allemaal wel goed komt met mij, ooit. Vanavond zal ik dat beamen, dan zal ik haar weer schrijven en de illusie in stand houden. Ik kijk naar mijn spiegelbeeld in het raam en vraag me af hoe mijn leven zal zijn als ik dertig ben, of veertig. Ik neem nog een laatste slok koffie, draai mijn volgende sjekkie. De bas zingt Was hilft es, dass wir alle Morgen / mit Seufzen von dem Schlaf aufstehn / Und mit beträntem Angesicht des Nachts zu Bette gehn? Wanneer het bed is opgemaakt, pak ik een boek en ga lezen, de hele dag.