Het verlangen naar een betere wereld is een mooi verlangen. Maar wie dit verlangen gaat omschrijven, wie gaat formuleren hoe zo'n wereld er dan uit moet zien en er daadwerkelijk naar gaat streven, die maakt dit verlangen al problematisch. Bij het formuleren van de voorwaarden waar een betere wereld aan moet voldoen, wordt eveneens geformuleerd wat er niet in thuis hoort, er wordt uitgesloten. Al datgene wat niet bij die betere wereld behoort dient veranderd, bestreden of verwijderd te worden. Daar ligt een bron van conflicten, van strijd. Waar een verlangen naar een betere wereld verandert in een verlangen naar zuiverheid, naar een wererld gezuiverd van slechte elementen, daar ontstaat een kwaadwillende wereld. De hedendaagse mens zou moeten weten waar zuiveringen toe kunnen leiden. Niet elke wereldverbeteraar verslechtert de wereld, maar elk verlangen geformuleerd in een ideologie bezit deze paradox in verschillende gradaties: de wereld verbeteren is de wereld verslechteren, omdat verbeteren altijd ten koste gaat van.

Zo ongeveer was mijn redenatie toen ik mijn idealisme opgaf. Gevraagd naar de inhoud van mijn idealen kwamen er altijd drie ismen naar voren: taoïsme, anarchisme en pacifisme. Afhankelijk van hoe mijn pet stond was ik een pacifistisch anarchistisch taoïst of een anarchistisch taoïstisch pacifist enz. enz. Sommige jongeren hadden popidolen of sportidolen aan de muur hangen, ik grossierde in dit soort idealismen. Veel diepte had het niet. Het was een onschuldige behoefte om in gesprekken een interessante, originele positie in te kunnen nemen. Doorwrocht was het evenmin, het was een ongevaarlijk experimenteren met ideeën.

Schijnbaar had ik een onuitgesproken beeld van een goede, verbeterde wereld. Een beeld dat – wellicht onbewust – gestoeld was op een beeld van een christelijke hemel, of het bijbelse paradijs. Een wereld zonder conflicten, waar aan alle behoeften wordt voldaan, waar altijd blijdschap is en liefde voor elkaar. Een wereld zonder spanning. Het verschil met het paradijs zou kunnen zijn, dat we wel bewustzijn hebben van goed en kwaad en dat we wel bewustzijn hebben van de mogelijkheid van behoeftigheid. Of zou een goede wereld pas goed kunnen zijn als we ook dat bewustzijn niet meer hebben, de herinnering zouden missen aan wat het leven onaangenaam maakt. Zouden we dan eigenlijk nog wel leven?

Zou het tegenovergestelde dan mogelijk zijn? Als het daadwerkelijk streven naar een betere wereld juist het kwaad in de wereld brengt, zouden we dan niet naar een slechtere wereld moeten streven, zodat dan een betere wereld zou ontstaan? Ik kon wel glimlachen om deze redenering: de wereld verslechteren om de wereld te verbeteren is uiteindelijk ook een verlangen om de wereld te verbeteren en zou dus ook niet helpen.

Rest mij dan niets anders dan acceptatie? Dat het nooit goed komt met deze wereld? Er is geen lijn omhoog, er is altijd terugkeer van hetzelfde in een andere cadeauverpakking? Vaak krijg ik dan het verwijt, dat als ik de wereld niet wil verbeteren, dat ik dan mensen in nood dus niet zou willen helpen: mijn acceptatie zou inhouden dat ik de honger in Afrika niet zou willen bestrijden, mensen die onderdrukt worden niet zou willen bevrijden, de vervuiling van het milieu niet zou willen tegengaan. (Alsof ik daar toe in staat zou zijn!)

Maar daar ging het natuurlijk niet om. Honger, onderdrukking, milieuvervuiling zijn symptomen, symptomen waar we wat aan kunnen doen. Maar het verlangen naar een betere wereld is juist een verlangen naar een wereld waarin honger niet meer kan ontstaan, waar ondrukking per definitie niet meer mogelijk is, waar milieuvervuiling onmogelijk is. Mijn acceptatie houdt in dat zo'n wereld niet mogelijk is (en heel voorzichting: niet wenselijk is), maar dat we altijd moeten pogen de schade te beperken. Het wegnemen van het lijden en ongeluk in de wereld, lijkt me een onbereikbaar ideaal. En zou het niet zo kunnen zijn, dat acceptatie van een onvolkomen wereld, deze onvolkomenheid in goede banen leidt? Verergeren we niet de ellende door het vanuit een bepaald zaligmakend gezichtspunt te willen bestrijden?

Zo werd ik anarchist, want zijn parlementen en regeringen eigenlijk niet verzamelingen wereldverbeteraars, elkaar bestrijdend met hun eigen onomstotelijke gelijk? En zo werd ik pacifist, want bestrijden doe je met wapens, of dat nu woorden zijn of geweren. En daar was het taoïsme, want het taoïsme kende het begrip wu wei, handelen door niet te handelen, niet forceren, niet ingrijpen, maar belangeloos doen wat je denkt of voelt te moeten doen.