Dan sta ik naast mijn fiets en kijk. Waar ben ik? Het schemert en in de nabijheid doemt een stad op, een kafkaeske donkere muur. Ik weet dat ik voorbij die stad moet. Naar de horizon die nog net oranje kleurt door de laatste zonnestralen. Het water spiegelt donker tussen de bomen. Knotwilgen. Ik ga verder.

Dan ben ik in de plaats waar ik moet zijn. Een stad, een dorp? Er is niemand op straat. Het is laat, ongetwijfeld. Ik weet waar ik moet zijn, ik ben er eerder geweest, al lijk ik er voor de eerste keer te zijn. Het klopt niet, ik voel me er vreemd, het is alsof ik er niet mág zijn. Ik voel me er volkomen naakt. Ik vind het huis, het verkeerde huis, maar ik weet dat ik daar moet zijn. Geen gordijnen, ik kan vrij naar binnen kijken.

Ik bevind me binnen. Er is een feest gaande en ik zoek de gastvrouw. De feestgangers lijken me te herkennen, ze hebben plezier en ze groeten mij als een oude bekende. Ik kan de gastvrouw niet vinden, niet in het felle licht in de tuin, niet in de keuken, niet in de donkere woonkamer. De warmte is beklemmend. Ik ben een ongenode gast, ik hoor daar niet, toch kijkt niemand op van mijn aanwezigheid. Pas als ik moet vertrekken is ze daar, glimlachend, alsof ze me verwacht had. Ze zegt me gedag en ik ga.

Ik bevind me buiten. Ik kijk door het raam naar binnen, schaamteloos. Ik zie een man, een vrouw, een kind, ze zijn gelukkig. Ik ben blij voor ze, voel zelfs jaloezie. Ze zijn vrolijk, ze lachen, maar ik hoor ze niet, slechts een koude wind ruist om me heen. Het verlangen om op het raam te bonzen, te roepen hier ben ik! Ik wil niet storen, ik wil alleen maar gedag zeggen. De angst onwelkom te zijn maakt me radeloos en machteloos. Zien ze me dan niet? Zo'n lange reis, zo dichtbij, zo ver weg. Ik keer om, doodmoe. Terwijl ik door de straten fiets probeer ik het beeld vast te houden voor de dag, het mag niet vervagen. Voor de ochtend ben ik thuis.