Het was na een bezoek aan het filmtheater, een film van Luis Buñuel, Le fantôme de la liberté. Terwijl de film nog in mijn hoofd verder speelde en de dagelijkse realiteit van de grote stad aan het einde van de avond pas langzaam tot mij doordrong, was ik naar de bushalte gewandeld op het Janskerkhof. Daar had ik plaats genomen op een bankje omdat de bus naar Z. nog enige tijd op zich zou laten wachten. Ik keek dromering om me heen. De Janskerk die naar boven toe steeds duisterder werd. Het beeldje van Anne Frank en de bloemen aan de voet van de sokkel. Ik zag twee agenten op mountainbikes fietsen en ze stopten bij een bankje dat in de schaduw van de kerk stond. Pas nu zag ik dat daar een man op het bankje lag te slapen. Alles was versleten aan die man. Er werd wat geduwd, gepord en gewezen en uiteindelijk pakte de nu wakkere man zijn plastic zakken en liep wankel weg. Ik was woest. Waarom die man lastig vallen, iemand die het toch al niet getroffen heeft? Maar de bus arriveerde en ik stapte in. Ik liet mijn kaart stempelen en zocht een plekje. Terwijl de bus optrok zag ik de man weer terug komen. Hij had een rondje gelopen om de kerk en ging nu weer gelaten op het bankje liggen.