Soms lijkt het wel alsof bepaalde neuronen in mijn hersenen ineens besloten hebben om bepaalde verbanden te leggen, verbanden die allang sluimerden, maar op één of andere wijze niet gelegd werden.

Zo was daar in mijn hoofd ergens een gebied dat steeds worstelde met het lezen van poëzie. Na al die jaren wist ik nog steeds niet hoe ik poëzie wilde lezen. Altijd maar weer de verbijstering en bewondering voor lezers die een gedicht als het ware helemaal kunnen duiden. Waarom lezen zij wel zoveel in een gedicht en ik niet? Ik ben toch geen ongeoefende lezer, waarom gaan die ogen voor mij niet open? Zo las ik poëzie altijd om de treffende zinnen, om de sfeerbeelden, de orginaliteit, maar meer ook niet. Op zich geen probleem, het staat een ieder vrij om op zijn eigen wijze een gedicht te lezen, maar ik bleef het gevoel houden steeds iets te missen.

Er was ook een afgesloten kist in mijn hoofd met de herinnering aan tijden dat ik poëzie op muziek wilde zetten. Het enige gedicht dat ik ooit daadwerkelijk tot muzikale compositie heb gemaakt voor tenor en piano is een gedicht van John Keats (zie 71). Mijn laatste notenkrabbels vond ik later terug in de bundel Faverey (zie 18 en 744), daar is nooit iets van geworden en die krabbels waren meteen ook de laatste poging muziek te componeren.

Onlangs mijmerde ik daar weer over. Komt het door de verhuizing? Dat de piano beter zijn recht komt op zijn nieuwe plek? De piano klinkt beter in onze nieuwe woonkamer en is veel uitnodigender om te worden bespeeld. Dan sla ik wat akkoorden aan, improviseer wat, ik zoek naar mijn klank. Ik vroeg me af welke gedichten ik nu op muziek zou willen zetten en ik dacht aan het werk van Miriam Van hee. Maar ik dacht ook aan de bundel van Reine De Pelseneer, waar ik me de laatste tijd mee bezig houd. Ik pakte die bundel uit mijn tas en zocht het gedicht op dat hieronder overgeschreven had. En de gedichten die daarop volgen.

Toen gebeurde het. Alsof er een klik in mijn hoofd plaatsvond. Alsof de onderhoudsmonteurs in mijn hoofd ineens abusievelijk dat gebied met die net geopende kist in verband brachten. Natuurlijk, mijn manier om poëzie te lezen is zo te lezen alsof ik er muziek bij zou willen maken. Een licht gevoel van opwinding maakte zich van mij meester, alsof er ineens een enorme ruimte in mij ontstond. Een Eureka-gevoel. Een gedicht lezen en bedenken bij welke woorden, zinnnen, beelden ik bepaalde muzikale lijnen en akkoorden zou verzinnen, hoe ik de relatie daartussen zou boetseren en wat ik zou weglaten. En ineens wist ik ook waarom het toen met Faverey niet lukte: ik was te gefixeerd geweest om de woorden onder te brengen bij een zangstem. Nu weet ik, dat het geen liederen moeten worden, maar louter instrumentale essays.

Of ik daadwerkelijk weer zwarte bolletje ga priegelen, geen idee. Wel komen er voortdurend ideeën boven voor de gedichten van De Pelseneer. Het basisakkoord zonder terts en sext (e'-fis'-a'-b'-d'') in verschillende liggingen om vorm te geven aan het meer, de dichte nevelstrook bijvoorbeeld. En het verstoren met de ontbrekende terts en sext in de bas (G'-C), een kwartligging die in bas de gewenste spanning geeft (geleerd van Benjamin Britten uit zijn opera Death in Venice, einde eerste akte, begin tweede akte). En ik blader door naar de volgende gedichten om te kijken hoe ik de verbanden zal leggen.

Het werkt, maar er is één nadeel: geschikt voor mijn website is deze aanpak niet. Ik kan de muziek niet laten horen, maar wellicht zal het mij nu beter lukken om te schrijven over poëzie. Misschien ook niet.