Soms zit ik weer in die stoel. De stoel die met mij meeging uit het ouderlijk huis en me tot steun was in mijn studiejaren. Een rookstoel, nog van mijn grootvader geweest. De stoel waarin ik – ogen gesloten, kamer verduisterd – vele muzieken beluisterde, waarin ik – schemerlicht – vele boeken las, van waaruit ik vele films bekeek op de beeldbuis. De stoel waarin ik menig peuk draaide en keek naar de hemelwaartse rook.

Het was geen mooie stoel, eigenlijk zat ik er niet lekker in. De vering was hard. Toch mis ik hem om de magie van de wereld die ik er in beleefde. De stilte die bij die stoel hoorde, de concentratie die dan als vanzelf over mij kwam. De avonturen die ik in mijn gedachten beleefde. De alleenzaamheid, de melancholie soms. Toen ik ging samenwonen ging de stoel niet mee.

Het is druk met drie kinderen. Wanneer de twee kleintjes naar bed zijn, de oudste zijn huiswerk maakt en mijn vrouw activiteiten elders heeft, dan plof ik wel eens in een andere stoel, zo'n stoel van Ikea. Dan sluit ik mijn ogen om te luisteren waar de stilte gebleven is. Ergens voorbij de orkaan van onbepaalde gedachten wellicht. Of ik kijk naar de boekenkast naar al die boeken die gelezen willen worden. Dan zou ik de tijd hebben. Maar niet de rust en dan denk ik wel eens terug naar die oude ongemakkelijke stoel. En als ik maar lang genoeg terugdenk dan sta ik vanzelf op om weer eens muziek op te zetten, of een boek uit de kast te pakken of om een mooie film op te zetten. Soms geeft dat een gevoel van sereniteit en die momenten koester ik, ze zijn zo zeldzaam geworden.