Op een dag kwam ik meneer Kant tegen. Immanuel Kant. Ik kwam hem tegen tijdens een wandeling. Ik was niet zeker van de weg en ik vroeg hem hoe ik weer in B. moest komen. Aangezien hij ook die kant op wilde, besloten we onze wandeling samen voort te zetten.

Meneer Kant vroeg me naar de tijd waarin ik leefde. Ik vertelde hem dat ik in het jaar 2008 leefde, in de eenentwintigste eeuw. Hij bleef stil staan en riep uit: 'Eindelijk! Eindelijk iemand die me kan vertellen hoe de wereld er in de toekomst uitziet.' Met een verwachtingsvolle blik ging hij voor me staan. 'Vertel me, hoe gaat het met de mensen in uw tijd?'

We gingen op een bankje zitten. De Kromme Rijn stroomde aan ons voorbij. In de verte steeg een buizerd op met een veldmuis in de klauwen. De wind waaide de herfstkleuren uit de bomen. Waar moest ik beginnen? Wat moest ik vertellen?

Ik vertelde. Ik vertelde eenvoudigweg wat er in mij opkwam, zonder structuur, zonder intenties. Dat alle kinderen in Europa naar school konden. Dat er geen structurele armoede meer was in ons werelddeel, althans niet zoals hij dat in zijn tijd kende. Dat de mensen in Europa zich vrij waanden in een democratische staatsvorm. Dat er zoiets als internet bestond, dat we toegang hadden tot ongekend veel informatie. Dat we nu konden communiceren met nagenoeg alle delen van de wereld. Dat er een donkere meneer president was geworden in Amerika. Dat de mens nu mensenrechten heeft. Dat de wetenschap is doorgedrongen tot voorbij de sterren en de kleinste zichtbare deeltjes...

Hoe lang ik gesproken heb, weet ik niet meer, maar dat ik verzweeg was duidelijk. Toen ik uiteindelijk een stilte liet vallen, sprong meneer Kant op. 'Het is volbracht!' riep hij uit, 'de mens is ontsnapt uit zijn onmondigheid. Wat moet de toekomst toch prachtig zijn!' Hij draaide zich om en keek me doordringend aan: 'U moet een gelukkig mens zijn om in zo'n tijd te kunnen leven.'

Ik zweeg. Ik wilde hem niet vertellen over de wereld van mondige mensen, de wereld van mensen die hun verstand durven gebruiken. Ik wilde hem evenmin vertellen waar al die mondigheid toe geleid heeft. Tot redelijkheid in ieder geval niet. En wat nog veel erger is: de mensen geloven niet meer, het is een wereld zonder illusies geworden. Nee, ik wilde hem de hoop niet ontnemen.

Meneer Kant merkte mijn somberheid op. Ik forceerde een glimlach om hem gerust te stellen. 'Het is koud,' zei ik, 'laten we verder lopen.' Ik troostte me met de gedachte, dat ik hem blij had gemaakt. Hij kon terug en vertrouwen hebben. Ik wilde meneer Kant zijn geloof in de toekomst niet ontnemen.

We kwamen bij de witte brug, ik wist weer hoe ik verder moest. Aan de andere kant van de Kromme Rijn was mijn woonplaats. Ik bedankte hem voor de wandeling en het gesprek. We namen afscheid. Toen ik me aan de andere oever omdraaide om nog eens naar meneer Kant te zwaaien, was hij al uit het zicht verdwenen.