We fietsten over de onverlichte wegen tussen Utrecht en Bunnik. Een mooi natuurgebied waar de verkeersminister in zijn natte dromen graag asfalt wil neerleggen. Onbegrijpelijk dat in ons land de oplossing voor fileproblemen nog steeds gezocht wordt in weer meer wegen, terwijl de geschiedenis leert dat het zeer weinig oplost. Maar goed, mijn oudste zoon en ik fietsten daar op onverlichte wegen, zo aan het einde van het jaar. We spraken geanimeerd over de schaakpartijen die hij de afgelopen dagen gespeeld had. Net als vorig jaar had hij in de kerstvakantie meegedaan met de regionale jeugdkampioenschappen schaak in zijn leeftijdscategorie. Vorig jaar werd hij gedeeld vierde en omdat de nummer twee afzag van deelname aan het Nederlands Kampioenschap, mocht S. een barrage spelen en dat won hij. Dit jaar wilde hij proberen zich op eigen kracht te plaatsen voor het NK en dat is gelukt: in zijn rugzak glom de kampioensbeker. Hij had veel geluk gehad, zo relativeerde hij zijn resultaat, en het is mooier om te winnen als je het van te voren niet verwacht, voegde mijn elfjarige kanjer eraan toe. Toen we over de witte brug weer in de verlichte wereld kwamen, waarschuwde ik hem voor zijn trotse moeder die thuis op hem wachtte. Ach, zei hij, na twee dagen schaken zou hij zijn trotse ouders ook wel overleven. Tsja.