Mijn waarde H.,

Mijn brieven zijn als doodssteken en deze brief is de laatste en definitieve doodssteek die ik je zal toebrengen. Er rest niets anders meer dan een personage, je komt niet meer overeen met de werkelijkheid en je bent nu nog slechts een schepping in mijn hoofd. De nog levende H. leeft op een plaats en in een tijd die de mijne niet is. Ik weet niet meer wie je bent, ik kan je eenvoudigweg geen brieven meer schrijven over het graf van de herinnering heen. Zoals een losgelaten ballon wordt meegevoerd op de wind, zo zal ik deze brief laten gaan in het wit van de virtuele ruimte.

Waarom kon ik je zo slecht loslaten? Misschien wel omdat met jou mijn schrijven begon en ik bang ben dat met jouw verdwijnen ook mijn schrijven zal stoppen. Maar het omgekeerde zou ook kunnen: de angst, dat als ik zou stoppen met schrijven, jij zou verdwijnen. Je verdween door het schrijven. Niet langer word ik geplaagd door een welkome demon, je bent als het ware mijn muze niet meer. Ik ben een illusie armer.

Lang heb ik nagedacht over mijn laatste woorden aan jou. Ik herinner me dat ik in de tijd van de papieren brieven vaak afsloot met een gedicht. Daar moet ik je dankbaar voor zijn, dat ik door jou poëzie ben blijven lezen, altijd op zoek naar een geschikt gedicht; dat zoeken zal voortgaan. Voor dit moment en deze plek kon ik het ultieme gedicht niet vinden en dat bestaat waarschijnlijk ook niet. Dus sluit ik af met een gedicht dat me toevalligerwijs de laatste tijd bezig houdt. Ik heb hier al eens eerder een gedicht van Jan Geerts overgeschreven. Dit gedicht doet me denken aan een beeld uit de film Nostalghia van Tarkovsky, een beeld dat lange tijd onderdeel was van de opmaak van mijn weblog en dat op een of andere wijze verwijst naar de tijd dat jij werkelijk, van vlees en bloed, in mijn leven was. Het was een mooie tijd, H., een dierbare tijd, ik zal het niet vergeten, maar ik weet dat het nooit terug komt en dat hoeft ook niet meer.

Wie was jij? Wie was ik? Kijk nog eenmaal om en ga dan! Ga!

Soms is een vermoeden genoeg
om zeker te zijn van niets, zo iets

als een lege kamer – geen mens,
zelfs geen gedachte erin, hooguit

de herinnerde geur van koffie
in de ochtend, of het verwelken

nog, maar al lang geen bloemen
meer – werkelijk niets, behalve

vier muren, de tijd en een venster
op zoek naar aanwezigheid,

een plek, een weerloze dag waarop
woorden vallen en blijven liggen

zodat men er naar kan terugkeren
als naar een lege kamer, of enkel

de gedachte daaraan,
of zelfs dat niet

Jan Geerts De n van iemand
Leuven 2008, 51

Dag lieve H., wees gelukkig, verdwijn nu achter de horizon. Dag ...

jwl