Het was op 3 januari 1889 dat ik samen met Fritz door de straten van Turijn liep. We hadden elkaar een gelukkig nieuwjaar gewenst en een rustig gesprek gevoerd. Er leek niets aan de hand. Toen we bij de smidse naar binnen keken en zagen hoe onder het neerkomen van de hamer de vonken opspatten, had Fritz nog lachend uitgeroepen dat de Nibelungen weer een ring aan het smeden waren. Ook vertelde hij enthousiast over de geometrie van het stadsplan, de rechtlijnigheid van de straten beviel hem zeer. Pas toen hij mij de Mole Antonelliana toonde – met zijn 167 meter een blikvanger van de stad – veranderde er iets in zijn houding. Het gebouw was ooit bedoeld als synagoge en dat herinnerde hem aan zijn zus. Die vervloekte antisemieten waar ze nu mee omging, die hadden hem zijn lieve zus afgenomen. Vooral de antisemieten rond zijn vroegere vriend Wagner hadden zijn zus tot een verbitterde vrouw gemaakt die overal joodse complotten zag. Fritz klonk niet zozeer boos, maar bedroefd. Het is een ramp, zei hij, ik raak mijn zus kwijt en niemand leest mijn boeken.

Op dat moment pakte ik hem met beide handen bij de schouders vast en keek hem recht in de ogen. Fritz, zei ik, Fritz, wanhoop niet. Over honderd jaar lezen onvoorstelbaar veel mensen jouw werk. Er zullen lezers zijn die je werk verzamelen, die er een studie van maken. Je boeken zullen in vele talen vertaald worden, ook je aantekeningen en de brieven die je geschreven hebt. Geleerden zullen colleges aan je wijden, biografen zullen zich op je leven storten. Jouw tijd komt, geloof me, ik kan het weten!

Fritz bleef lange tijd als in trance over mijn schouder in de verte turen, alsof hij daar de toekomst in een droombeeld kon zien. Hij ademde diep, richtte zich op alsof hij een last van zijn schouders wierp, stak zijn borst fier vooruit en wende zijn blik naar de hemel. Zijn houding werd heldhaftig, zijn mond opende zich achter zijn enorme snor en er kwam een lach, een lach die – ik kan het niet anders omschrijven – duivels was. Van schrik liet ik hem los en deed een paar stappen achteruit. Zijn donkere ogen werden rood van vuur, zijn hoofd schudde alsof een enorme migraine hem pijnigde.

Plotseling werd zijn lach overstemt door het hinniken, nee, het krijsen van een paard. Aan de overzijde van het Piazza Carlo Alberto steigerde panisch van angst een zwart paard. Een koetsier beulde het beest af met een zweep. Fritz stopte met lachen, begon als een waanzinnige dwaas te rennen en vloog het paard om de hals. Ik stond aan de grond genageld.

Wat er verder gebeurde onttrok zich aan mijn blikveld. Vele mensen stroomden toe naar het surrealistische tafereel. Op een gegeven moment maakten twee agenten zich los uit de massa, een schijnbaar levenloos lichaam hing als een gekruisigde tussen de dienders in. Dat lichaam moet mijn goede vriend Fritz zijn geweest. Dat was de laatste keer dat ik hem zag.

Dagenlang heb ik hem gezocht. Thuis was hij niet, de politie had hem laten gaan en wist verder van niets. Ook het ziekenhuis had mijn vriend niet gezien. Na enkele dagen wist de kamerverhuurder van Fritz me te vertellen dat er vrienden uit Basel voor Signor Nietzsche waren gekomen om hem mee te nemen.

Fritz was totaal ingestort, er kwam geen zinnig woord meer uit zijn mond, zo heb ik later vernomen. Ik had ondertussen geen redenen meer om nog langer in Turijn te blijven en ging terug naar mijn eigen tijd. Later ontving ik een nagezonden brief. Het was onmiskenbaar zijn handschrift, maar ondertekend door Prometheus.