Wie was nou toch die Montaigne? Een nieuwe vriend uit de buurt staat voor mijn boekenkast. Terwijl ik oplepel wat me zo snel te binnenschiet over Montaigne, pak ik het lijvige boekwerk uit de kast en geef het aan hem. Hij begint ergens willekeurig te lezen en grinnikt. Op mijn vraag wat er zo grappig is, leest hij voor:

Evenals we braakliggende akkers, die vet en vruchtbaar zijn, zien wemelen van honderdduizend soorten nutteloos onkruid en we, om ze vruchtdragend te laten blijven, ze aan bepaalde, voor ons nuttige zaaigewassen moeten onderwerpen en ze daarmee bezig moeten houden, en zoals we wel zien dat vrouwen, aan zichzelf overgelaten, alleen brokken en hompen ongevormd vlees voortbrengen en dat ze, om een goed en natuurlijk nakomelingenschap tot stand te brengen, met ander zaad beziggehouden moeten worden, zo is het ook met de geest.

Michel de Montaigne Essays, 48

Die Montaigne toch! Over ledigheid heet het essay, waaruit mijn vriend voorlas. Ik zette het boek weer op z'n plek in de kast en was het voorval waarschijnlijk vergeten als ik niet 's middags een mailtje van Maartje Duin vond. Ik werd uitgenodigd om naar haar programma op de radio 1 te luisteren, over mensen die de ledigheid in hun leven hebben omarmd.

Weer dat woord, ledigheid... Ik herinnerde me dat ik dat woord zelf ook eens gebruikt had in een stukje: Waar is de tijd voor ontstaan, voor rijping, voor reflectie over en het verlangen naar dat ene achter de horizon? Leef ik in een randwereld waar stilstand en denken al als een vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid kan gelden? In een wereld die zichzelf te pletter consumeert? Verkwist uw tijd, laaf u aan ledigheid! Gebruik uw tijd eens niet optimaal, verveelt u! Zorg dat u zich niet (oppervlakkig) vermaakt, consumeer nu eens niet, ga gewoon zitten en wees alleen met uzelf, alleen uzelf, en zet uw zintuigen open! Daarmee zou u de wereld wel eens kunnen redden. jwl is uw cursusleider en profeet, wat ik u brom! (zie #891) Een collega plaagde me er wel eens mee als hij met middagpauze ging: zo, ik ga weer even niets doen, dat moet van jwl.

Maar wanneer doe je niets, wanneer geef je je over aan ledigheid? Het is ongetwijfeld een schuilplaats voor een dijk van een paradox, want wie besluit om niets te doen, doet toch iets, namelijk niets. Ledigheid is wellicht toch meer. Dat begrip is verbonden met een maatschappelijke norm, een calvinistische norm, namelijk dat we de tijd die ons gegevens is zinvol moeten gebruiken met de talenten die we bij onze geboorte gekregen hebben. Modern is om dat zinvol bezig zijn te verbinden met economisch nut. Wie antwoordt op de vraag wat doe jij voor de kost antwoordt nou, niets, wordt toch met verbazing aangekeken (en ik kan het weten, ik heb ooit mijn toekomstige schoonouders ermee op de kast gejaagd). Wie dat zinvol bezig zijn bewust nalaat, wie leeft zonder zich maatschappelijk nuttig te maken, die wordt toch al gauw gezien als een parasiet, iemand die profiteert van de inzet en resultaten van anderen.

Toch kunnen ook mensen met maatschappelijke verdienste zich overgeven aan ledigheid. Want al heb je je taak volbracht, je vrije tijd in ledigheid doorbrengen wordt in onze dynamische samenleving evenmin hoog gewaardeerd, al is het minder problematisch dan werkeloos zijn. Ook je vrije tijd dien je immers nuttig te besteden met vrienden of familie bezoeken, of winkelen (geld uitgeven), cultuur doen, sporten of bijvoorbeeld (actueel!) schaatsen. Op maandagochtend op je werk vertellen dat je het hele weekend niets gedaan hebt, maakt je niet direct tot de meest populaire collega. Tenzij je imago er al één is van een dynamische persoonlijkheid, dan wordt het nog wel geaccepteerd met de opmerking dat het ook wel eens lekker kan zijn, zo'n weekend niets doen, zonder verplichtingen, niets moeten, dan kun je je het een keer veroorloven. Iemand die consequent zijn vrije tijd met overtuiging zinloos gebruikt, zich overgeeft aan ledigheid, die kan doorgaans op weinig sympathie rekenen. Zijn sociale status nadert het nulpunt.

De reden waarom ik een pleidooi wil houden voor meer ledigheid in het leven – naast het stille verzet tegen haast en het doorgedraaide economische nuttigheidsdenken – is vooral, omdat het ruimte creëert. Ruimte waarin iets tevoorschijn kan komen wat anders onzichtbaar blijft. Meestal realiseerbaar ik me dat pas achteraf. Mijn beste invallen voor het schrijven ontstaan vaak in onbewaakte ogenblikken, ogenblikken die ik in ledigheid doorbreng. Het is niet af te dwingen, ik kan niet zeggen: nu ga ik even wat tijd in ledigheid doorbrengen en dat komt er wel vanzelf een stukje voor mijn website. Nee, het komt pas wanneer ik het niet zoek, tijdens een moment van dagdromen. En eigenlijk vind ik dat soort momenten veel waardevoller dan het zinvolle werk dat ik ook doe. Het zijn juist die momenten die al mijn activiteiten zinvol maken, want de momenten in ledigheid haalt verbanden naar boven, opent mijn zintuigen voor geluiden die ik anders niet hoor, of beelden die ik anders niet zou zien, en het levert gedachten op die ik anders niet zou hebben.

Het zou me niet verbazen dat het voor Montaigne op een vergelijkbare wijze heeft gewerkt. Zonder de ledigheid in zijn leven, zouden we nu waarschijnlijk niet zo'n lijvig boek met essays uit de kast kunnen pakken.

Toen ik mij niet lang geleden op mijn landgoed terugtrok, vastbesloten om mij, in zoverre dat mij mogelijk was, om niets anders te bekommeren dan hoe ik het weinige dat me nog van het leven restte, in rust en afzondering door zou brengen, leek het me dat ik mijn geest geen grotere dienst kon bewijzen dan hem in staat te stellen zich in totale ledigheid met zichzelf bezig te houden, tot zichzelf te bepalen en in zichzelf rust te vinden, wat hem, naar ik hoopte, dan gemakkelijker zou afgaan, omdat hij met de tijd zwaarder en rijper geworden was. Maar ik merk – variam semper dant otia mentem [noot: Ledigheid versnippert de geest (Lucanus, Pharsalia, IV, 704)] – dat de geest in tegendeel, als een op hol geslagen paard, zichzelf honderdmaal meer problemen geeft dan hij ooit voor een ander op zich nam; en hij baart me zoveel hersenschimmen en bizarre monsters, de een na de ander, zonder orde en zin, dat ik begonnen ben ze op papier te zetten om ze in al hun vreemdheid en onzinnigheid op mijn gemak te overdenken, in de hoop daar op den duur mee te bereiken dat hij zich voor zichzelf schaamt.

idem, blz. 49

Zo luisterde ik dan naar het portret van Lotte Klaver (www.lotteklaver.nl), gemaakt door Maartje Duin, afgelopen zondagavond. Het was mooi, het was te kort, maar ik genoot van het luisteren naar radio. En terwijl ik na afloop in een moment van ledigheid de vaatwasser aan het uitruimen was, verbonden langzaam maar zeker een nieuwe vriend, Montaigne, een oud stukje tekst, Maartje en Lotte zich met elkaar en kwam ik tot een nieuw inzicht.