Deze ochtend zei ik hem geen goedemorgen, nee, deze ochtend niet. Ik had hem al zien aankomen op zijn brommertje over de stoep. Elke keer een stukje verder, afstappen, krant door de bus. Wij passeerden elkaar: goedemorgen! klonk het wellevend naast mij. Hij herhaalde het nog eens, luider, al bijna als een verwensing. Maar ik wilde niet, de wolven gromden en huilden in mijn hoofd, ik wilde hem bijten met mijn stilzwijgen. De enige manier om de roofdieren enigszins in toom te houden. Eigenlijk wilden ze dat ik kapot zou maken, iemand op zijn muil zou slaan, het leven verscheuren. Ze moesten getemd met mijn zelfbeheersing als zweep. Ik zag demonen boven het zwarte water van de gracht en in de verte zag ik de toren van de Westerkerk in het licht van de spot. De kou traande uit mijn ogen. Ik sloeg een hoek om en zuchtte eens diep. Aan het werk dan maar.