Die kern is strikt genomen geen gemeenschappelijke doctrine; het is eerder een spirituele grondhouding die een wereldbeeld met zich mee kan brengen, een grondhouding die zelf niet te verwoorden valt – elke poging om haar te verwoorden, zou onvermijdelijk twijfelachtig en onbeholpen zijn. Toch moeten we proberen die grondhouding uit te drukken, want een gevoel dat niet is verwoord, kan geen gemeenschappelijk geloof vormen. Die kern, kortom, is een welbepaalde kijk op de wereld, niet als een blinde machine (...) maar als een levend lichaam, voortgestuwd door een soort van spirituele energie. Die energie heeft een richting, een doel, en neigt bovendien naar het Goede, waarin we moeten geloven ondanks alle verschrikkingen en ellende, ondanks alle kwalen van deze wereld.

Leszek Kolakowski De eeuwige stilte van de geloofstaal
in: Nexus 50 2008, 297

Een kern? Waarom zou er een kern moeten zijn? Ik geef toe dat ik er eveneens lange tijd op vertrouwd heb, dat er een kern moest zijn. Zoals er wellicht voor de babylonische spraakverwarring een oer-taal geweest moest zijn, zo was er voor de godsdienstige verwarring ooit een oer-godsdienst. Dacht ik. Ik las mevrouw Blavatsky (madame Blabla) en haar geheime leer.

En waarom zou een eventuele kern positief moeten zijn, het Goede, zo u wilt? God? Waarom niet het Kwade, dat lijkt toch veel meer voor de hand te liggen? Als er dan toch een kern zou moeten zijn, waarom dan niet denken dat die kern soms goed, soms slecht uitpakt? Het leven heeft zijn aangename kanten, maar is toch ook hard en vol tegenslagen, nietwaar?

Of zou met de komst van het menselijke bewustzijn meteen ook de noodzaak van een kern, een principe, ingepakt zijn? Maakt het wellicht onderdeel uit van ons biologisch overlevingspakket? Zouden we de last van een geschiedenis en een toekomst op het scharnierpunt nu (de poortloze poort) anders niet kunnen dragen? Maar waarom er dan een godsdienst van maken? Waarom kan een vraag niet een vraag blijven, zolang er geen bevredigend antwoord op is?

Dan is er altijd weer die wijsneus die roept: de kern is, dat er geen kern is. O ja, de heilige paradox, onderdeel geworden van het westeuropese zenboeddhisme. (Zenboeddhisten! U kent ze vast wel, die gekrenkte hoogbegaafde intellectuelen en talentloze kunstenaars op verjaardagspartijtjes die een hobby hebben gemaakt van boeddhistische taalspelletjes om met een aura van wijsheid in gesprekken altijd het laatste woord te hebben.)

Toch, er zijn momenten, noem het magische momenten, in de nabijheid van geliefden, bij het beluisteren van muziek, het lezen van een zin in een boek, dat mij een gevoel overvalt waarvan menigeen zegt dat het niet in woorden te vatten is. Dit zijn vaak zeer persoonlijke momenten, want bij hetzelfde muziekfragment voelt een ander wellicht helemaal niets. Voor mij zijn dat religieuze momenten. Het verwijst naar, het toont, het roept op ... ja, wat? Een kern? Een scheppend principe? Sommigen noemen het een moment van transcedentie, een moment van verheffing, maar waarnaar toe dan? Anderen ervaren het gevoel als een moment dat alles één was, een tijdloos moment dat alles lijkt te kloppen en op zijn plek valt. Verlichting?

Welk romantisch verlangen naar een verloren wereld, een fabelwereld, speelt mij hier parten? Is het een neurologische truc, een chemische reactie in mijn hersenen? Zal de wetenschap ooit deze magie kunnen onttoveren, zoals de wetenschap de bliksem heeft onttovert tot een elektrische ontlading?

Met het overboord gooien van godsdienst heb ik niet het religieuze gevoel overboord willen gooien. Muziek, literatuur, beeldende kunsten of eenvoudigweg een ontmoeting in het dagelijkse leven, ik heb ze nodig om de magie in het leven niet kwijt te raken. Ik zou het een spirituele energie kunnen noemen, ware het niet dat deze omschrijving verkeerde associaties oproept. Hoe dan ook, ik geloof níet dat het ons louter naar het Goede leidt. Nee, mijn religie, mijn magische momenten gaan over liefde én wanhoop. Het is de blik omhoog, de blik in de verte én de blik in de afgrond. Daar gaat kunst over, daar gaat het leven over. Dat is misschien, heel misschien – en ik durf het slechts te fluisteren – de kern.

Het spreekt vanzelf dat die kern wordt omgeven door miljoenen particuliere geloofsovertuigingen, gevormd door de werking van talloze uiteenlopende maatschappelijke, psychologische en taalkundige condities. Wat niet wegneemt dat die kern in het religieuze leven bestaat, dat het niet een uit al die afzonderlijke bronnen gedistilleerde filosofie of theologie is, maar eerder het geloof in de traditionele zin des woords, in de zin van Sint Paulus – het vertrouwen, vertrouwen in het leven en in een betekenis die verborgen is onder de chaotische, onbegrijpelijke loop der dingen. Die betekenis laat zich niet ontdekken door de gewone waarneming of door wetenschappelijke analyses, en het feit dat ze verborgen is, behoort tot haar aard; anders zou geloven onnodig zijn. Geloven is niet te scheiden van de betekenis van de wereld. Dat wil zeggen dat die betekenis niet een soort kant-en-klare schat is die wacht op de nobele ontdekkingsreiziger; het is een schat die ontstaat en zich ontwikkelt in het eigenlijke proces van zijn ontdekking: pas in Gods geboorte is de mens in staat die schat te zien.

idem, 297