Flessenpost in de virtuele zee, zo noem ik mijn geschreven teksten hier wel eens. Ik hoop dat mijn brieven worden gelezen door langssurfende internetters. Afgezien van een enkel contact, heb ik geen idee wie hier leest en waarom. Dat is niet erg, ik heb niet voor niets de drempel voor reacties verhoogd tot het schrijven van elektronische post. Dat is de enige manier om mij te vinden, het enige spoor naar mijn eiland. Wie de moeite neemt een (elektronische) brief te schrijven, voelt wellicht meer de noodzaak om iets te zeggen dan het gemak van een reactievenstertje.

Het is een mooi beeld dat Peter Sloterdijk van Jean Paul geleend heeft in zijn tekst Regels voor het mensenpark:

Boeken, zo heeft de schrijver Jean Paul eens opgemerkt, zijn een dikke soort brieven aan vrienden. Met deze zin heeft hij wezen en functie van het humanisme kernachtig en sympathiek omschreven: het is vriendschap-stichtende telecommunicatie via het medium van het schrift. [18]
(...)
Het is hun lot op stille planken te staan, als 'poste restante' die niet meer wordt afgehaald – spiegelbeelden of drogbeelden van een wijsheid waarin de tijdgenoten niet meer kunnen geloven – verstuurd door auteurs van wie we niet meer weten of ze nog onze vrienden kunnen zijn.

Brieven die niet meer besteld worden, houden op zendingen aan mogelijke vrienden te zijn – ze veranderen in gearchiveerde objecten. Ook dit feit, dat de toonaangevende boeken van vroeger minder en minder brieven aan vrienden zijn, en dat ze niet meer op de tafels en nachtkastjes van hun lezers liggen maar in de tijdloosheid van de archieven zijn weggezonken – ook dit heeft de humanistische beweging het meeste van haar vroegere elan ontnomen. Steeds minder vaak dalen de archivarissen af naar teksten uit de Oudheid om vroegere uitweidingen over moderne lemma's te raadplegen. Misschien gebeurt het af en toe dat bij zulke naspeuringen in de dode kelders van de cultuur de lang niet meer gelezen papieren beginnen op te lichten alsof er verre bliksems overheen schieten. Kan ook de archiefkelder tot een open plek, een 'Lichtung' worden? Alles wijst erop dat archivarissen en archivisten de opvolgers van de humanisten zijn geworden. Voor de weinigen die nog in de archieven rondkijken, dringt zich het idee op dat ons leven het warrige antwoord is op vragen waarvan we vergeten zijn waar ze gesteld werden. [45-46]

Peter Sloterdijk Regels voor het mensenpark
Amsterdam 2007

Peter Sloterdijk zelf schrijft lijvige brieven. Ooit leende ik Kritiek van de cynische rede en zonder er veel van te begrijpen, las ik het in een roes uit. Het is één van de boeken waarvan ik het betreur dat het niet in mijn boekenkast staat. Van zijn andere grote werk, het driedelige Sferen, heb ik het eerste deel gelezen. Onlangs zag ik dat de de vertaling van deel drie binnenkort uitkomt, dus ben ik begonnen aan deel twee.

Weer ben ik gefascineerd, maar waardoor precies? Een boek van Sloterdijk lezen kost de nodige inspanning. Zijn stijl is barok, zijn zinnen lopen over van betekenis. Hyperbolisch wordt zijn schrijfstijl geytpeerd, het komt inderdaad overdreven over. Ik zoek er eerder een hang naar een overdreven precies formuleren in. Het is alsof de lezer elke zin eerst moet ontwarren, voordat hij aan de volgende zin kan beginnen. Zoals ik tegen iemand zei: na elke zin heb je het gevoel al een alinea gelezen te hebben, na elke alinea een bladzijde, na elke bladzijde een hoofdstuk. Het vereist geduld, contemplatie, zoals bij het schaakspel: soms moet men de tijd nemen om een stelling in al zijn facetten te doorgronden. Dat ik dat bij Sloterdijk weet vol te houden, keer op keer, komt, omdat zijn hyperbolische stijl tegelijkertijd een enthousiaste stijl is. Hij is ondergedompeld, verliefd op zijn onderwerpen. Alsof hij een brief aan een vriend schrijft over wat hij nu weer ontdekt heeft, met veel bravour en, voor wie er oog voor heeft, humor.