Brieven naar Brugge (1)

wat voorafging

Bunnik, 20 maart 2009

Waarde Pascal,

Er is een tijd geweest dat ik vanachter mijn bureau uitkeek naar de postbode. Dat was in mijn studententijd, toen ik nog op kamers woonde in een villa in Bosch en Duin. Ik kon de brievenbus net zien, daar aan het begin van de oprijlaan. Natuurlijk wist ik hoe laat de postbode ongeveer kwam en als ik hem voorbij zag gaan, wist ik niet hoe snel ik bij de brievenbus moest komen. De sensatie van het aantreffen van een brief. Het meedragen naar mijn kamer, het openen met de briefopener, het uitnemen en het openvouwen van het papier, het omdraaien om de aanhef te vinden, de herkenning van het handschrift van een dierbare vriendin ... Is dit romantiek achteraf? De brief oneindig vaak herlezen en in gedachten al een brief terugschrijven, waarvan velen slechts in gedachten worden geschreven en slechts fragmenten in de uiteindelijke brief terechtkomen. Ken jij dat? Is het melancholie? Of nostalgie?

Nee, je hebt gelijk, onze correspondentie is geen papieren correspondentie. Er is geen sprake van een briefgeheim, onze brieven zullen open brieven zijn, leesbaar voor wie langskomt in onze gedeelde virtuele wereld. Het beeld van de over onze schouder meelezende bezoeker bevalt me zeer, want het betekent dat ik met mijn rug naar de lezer sta. Deze houding is niet onvriendelijk bedoeld (ja, ik draai me nu even om), maar voor mij domweg noodzakelijk. Wanneer ik rekening zou houden met 'de lezer', dan zou ik minder oprecht en gekunsteld schrijven en daar heeft niemand wat aan. Het is dan ook met enige schroom dat ik mijn teksten hier plaats. Literatuur is niet mijn oogmerk, wel precisie om zo goed mogelijk over te brengen wat ik wil overbrengen. Dat betekent: niet zomaar wat schrijven, maar nadenken over de formulering, de woordkeuze enz.

In de jaren dat ik veel papieren brieven schreef, las ik Kroniek van een karakter van Jeroen Brouwers. Hij schrijft in de inleiding dat het schrijven van brieven voor hem geen kunst is: Integendeel: ik schrijf brieven om mij te ontspannen van mijn serieuze schrijverij (...). En verderop: de vorm van de brief is die van spontaneïteit (...). Brieven schrijven is literaire anarchie.

Ik ben geen Jeroen Brouwers, ik ben geen schrijver die Literatuur probeert te fabriceren, ik kan niet eens beoordelen of mijn schrijven wel of niet literair is. De wijze waarop Brouwers naar het schrijven van zijn brieven kijkt, ben ik echter nooit vergeten en is bij mij op de achtergrond aanwezig gebleven. Zo is elke bijdrage op mijn website in zekere zin een brief. Natuurlijk, het voordeel van schrijven met toetsenbord en scherm is, dat je eenvoudiger kunt schrappen, verbeteren, aanvullen en in die zin zal ik de anarchie van Brouwers niet volgen. Maar in de geest zal ik de vrijbuiterij niet kunnen loslaten, omdat een hoge mate van spontaneïteit voor mij onderdeel is van de briefvorm. Ik streef dus geen perfectie na en ik hoop glimlachend dat je daarmee kunt leven.

Voordat we deze correspondentie begonnen, lazen we elkaars teksten al een aantal jaren. We hebben gemeenschappelijke interesses, maar verschillen in temperament. Ik hoop dat dit spanningsveld een vruchtbare correspondentie oplevert. Er zijn veel vragen die ik je zou willen stellen, maar ik begin met een onderwerp dat mezelf momenteel bezig houdt. Het staat je vanzelfsprekend vrij om er jouw draai aan te geven, waarmee we dan weer dichter bij jouw interesses uitkomen.

God is dood. De Grote Verhalen worden nog wel verteld, maar weinigen vertrouwen op een happy end. In Regels voor het mensenpark van Sloterdijk, een boek dat ik onlangs las, wordt het humanisme ten grave gedragen. Tegelijkertijd las ik in het tijdschrift Nexus, een tijdschrift dat tegen de stroom in het humanistische ideaal juist wil vasthouden. Doorgaans publiceren daar heren op leeftijd, heren die hun sporen hebben verdiend op universiteiten, in het wetenschappelijke discours. Zij betreuren het verdwijnen van de lezende mens en verlangen terug naar het oude Bildungs-ideaal, al of niet in een nieuw jasje. Intellectuelen die lezen en schrijven, die de wereld achteruit zien gaan en als het ware verzuchten: waren er maar meer mensen zoals wij, dan zou het wel goed komen. Kinderen moeten weer gevormd worden. Kinderen moeten weer normen en waarden bijgebracht worden. Laten we daarom het licht van de Verlichting weer ontsteken en de Bildung in ere herstellen.

Soms lijk ook jij hierop te zinspelen op je website, al doe jij dat minder uitgesproken. In hoeverre hoop jij met je website de lezer enthousiast te maken voor de Kunsten met het idee dat het verschil zal maken in deze wereld? Zijn er nog Grote Verhalen waar jij je hoop op gevestigd hebt? Of rest slechts het intellectuele spel? Is jouw schrijven over het plezier en de bevrediging dat een boek jou kan schenken louter nutteloos of hoop je toch dat je met je website een bijdrage levert aan een betere, mooiere wereld? Welke rol kunnen wij als bevlogen lezers (luisteraars, kijkers) nog spelen in een wereld die daar totaal geen boodschap aan lijkt te hebben? Zijn wij nog slechts archivarissen, zoals Sloterdijk het in zijn boek afvraagt? (zie #928)

Zo, daar is het dan, mijn eerste virtuele brief die ik je toewerp. Op het moment dat ik de tekst online plaats is het 'verstuurd'. Je hoeft niet uit te kijken naar een postbode, het enige wat je hoeft te doen is je computer inschakelen en naar het juiste adres surfen. De brief vindt niet jou, jij vindt de brief. Geen envelop, je hoeft geen papier open te vouwen, je zult hooguit wat moeten scrollen. Mijn handschrift zul je hier niet herkennen, maar ik hoop dat je desalniettemin iets van mijn stem zult horen.

wuif en zwaai,
jwl