Terwijl ik de drankjes haalde aan de bar, zocht hij een vrije tafel. De schaakstukken stonden alweer netjes in de beginstelling toen ik kwam aanlopen. Alhoewel de strijd zichtbaar is op het bord, vindt een groot deel van het spel in de hoofden van de deelnemers plaats. Dat is niet uniek voor schaken, ook bij bijvoorbeeld tennisspelers is de mentale gesteldheid belangrijk. Alleen bij teamsporten kan de mentale onzekerheid van de enkeling gecompenseerd worden door de medespelers, bij schaken gaat dat absoluut niet op. Meestal heb ik geen zin om na afloop van de partij nog met de tegenstander te analyseren, maar ditmaal stond ik voor een raadsel. Immers, ik had de openingsfase met de witte stukken onzeker en rommelig gespeeld, mijn tegenstander had rustig zijn plan kunnen uitvoeren. Maar net op het moment dat hij kon gaan toeslaan, dat hij de stelling kon openbreken, trok hij zijn troepen terug. Zo kon ik het initiatief overnemen en brak meteen door aan de andere kant van het bord. Zijn koning stond nog onveilig in het centrum en daar maakte ik handig gebruik van. Na een paar eenvoudige zetten stond ik materiaal voor en gaf mijn tegenstander de strijd op. Welke spoken had hij gezien? Waarom trok hij de stekker uit zijn opzet? Onzekerheid, angst, teveel respect voor een tegenstander met een hogere rating (hij 1435, ik 1696). Ik had uitgestraald dat ik alles onder controle had, maar niets was minder waar geweest. Niet dat er een directe winstweg was voor zwart, maar de zwarte stukken stonden klaar om hun potentiële energie los te laten op de witte stukken en waren ineens gaan thee drinken. Onbegrijpelijk. Mijn lichaamstaal en een paar agressieve zetten hadden de partij gewonnen.

Degene met wie ik het minst graag schaak speel, zijn mensen die zichzelf te goed in de hand hebben. Iemand die je een zware klap kunt toebrengen, bijvoorbeeld door een toren te slaan, maar die dan toch volkomen kalm blijft. Geen spoor van opwinding of woede, alsof het hem volkomen koud laat. Op die manier beleef je er geen enkele lol aan. 'Een beschaafd man trekt niet ten strijde', luidt het gezegde, maar bij schaken draait het juist om de strijd. Je wilt je tegenstander in het nauw drijven tot je de aders in zijn slapen ziet kloppen en er zweetdruppels zo groot als bonen over zijn voorhoofd biggelen. Tot hij met zichtbare moeite een glimlach forceert, of juist zijn lippen samenknijpt alsof hij iets vies heeft geproefd. Tot hij zenuwachtig aan zijn gezicht zit te frunniken, een gesmoorde kreet slaakt, onophoudelijk zucht of zichzelf mompelend verwijten maakt. Tot hij de hik krijgt, of een roodgezwollen kop... En dan het liefst meerdere van deze symptomen tegelijk. Op zo'n moment steek je een sigaret op, of sla je een kom thee achterover en geniet je stilletjes van de radeloosheid die zich van je tegenstander meester maakt, met een zelfde soort voldoening als die een jager moet voelen wanneer hij zijn prooi heeft waar hij hem hebben wil. Mijn strategie bij het schaken is dat je het je tegenstander zo onaangenaam mogelijk moet maken, en als het tegenzit net moet doen alsof het je niets kan schelen. Als je zelf niet kunt winnen, kun je op die manier tenminste voorkomen dat de ander daar al te veel genoegen aan beleeft.

Liang Shiqiu Schaken
in: Het trage vuur 43, 61