Ja, nee, sorry hoor, ik ben nu eenmaal een pessimist, lachte een collega. Ik vroeg me af waarom hij daarbij zo lachte. Wilde hij zich daarmee verontschuldigen? Ik ben pessimist, daar kan ik niets aan doen, zo is mijn karakter nu eenmaal? Of was het de lach van iemand die alles al had gezien en meegemaakt in het leven (en dat alles viel natuurlijk altijd tegen)? Dus kun je maar beter het slechtste verwachten, dan kan het alleen maar meevallen. Voor de pessimist kan de toekomst alleen maar gunstiger uitvallen dan gedacht, alle reden dus voor een ironische lach: het leven is hard en vol tegenslagen, soms valt het mee, soms valt het tegen! Of wil de lach angst en onzekerheid compenseren? Een lach die wil zeggen, ik weet het niet maar dat wil ik niet laten blijken, dus kies ik maar de minst gunstige kant, dan kan het, opnieuw, alleen maar meevallen. De superieure houding die verbloemt.

Het nadeel van een pessimistische houding is dat de verwachtingen laaggespannen zijn en daarmee, vooral wanneer men betrokken is bij de zaak, in hoge mate een self-fulfilling prophecy in zich draagt. De leerkracht die weinig van zijn leerlingen verwacht – het wordt nooit wat met die kinderen van tegenwoordig – zal zijn leerlingen ook niet uitdagen en prikkelen om verder te komen. De resultaten zullen daardoor lager uitvallen.

Een pessimist is echter te verkiezen boven een die hard optimist, want met een pessimist valt tenminste nog plezier te beleven. De opdringerigheid van een normatieve positieve levenshouding is ronduit ergerlijk. Optimisten denken met hun kunstmatig glimlachende superioriteit de toekomst een handje te kunnen helpen, want als hun houding correct is, dan past de werkelijkheid zich daar immers aan aan. Mocht het toch tegenvallen, dan lag het tenminste niet aan hen, maar altijd aan de ander met zijn negatieve invloed. De superieure houding die oordeelt. Zo krijgt de lach van de pessimist wellicht nog een andere betekenis: het op voorhand incasseren van de hoon van de optimist.