Er was een tijd, lang geleden, dat ik vaak tot diep in de nacht las. Dat kan niet meer nu ik vroeg op moet voor mijn werk. Maar afgelopen nacht zat ik dan weer aan de eettafel, ik kon niet slapen. Als er iemand is die altijd goed inslaapt, dan ben ik het wel. De laatste dagen lijkt het eerder het tegenovergestelde, ik lig in bed en ik heb gevoel dat ik nooit meer zal kunnen slapen.

Ik pak mijn dagboek weer te voorschijn, ik heb het de afgelopen jaren schaamteloos verwaarloosd. Er is weer alle reden om te schrijven. Daarna probeer ik wat te lezen in Safranski's Romantiek. Een Duitse affaire en ik grimlach om de titel. Lezen, mijn favoriete werkwoord naast leven. Het boek is prachtig, maar ik moet moeite doen om me te concentreren. Jarenlang heb ik geoefend in het openbaar vervoer om me af te sluiten voor storend gedrag van anderen, maar nu ik in een doodstille kamer zit, wil de concentratie niet ontstaan. Telkens moet ik terugbladeren om de draad weer op te pakken. Het lukt me om het hoofdstuk over Fichte uit te krijgen. Mijn ogen zijn ondertussen zwaar geworden, tijd voor een nieuwe poging om te gaan slapen.

Voordat ik het licht uitschakel, kijk ik nog even naar mezelf in het duister achter het raam. Je bent oud geworden, jwl. Het leven is, om in schaaktermen te spreken, een verliespartij geworden. De klok tikt door, het spel is een strijd geworden. Het is niet meer te winnen, er rest me niets anders meer dan het gelaten uit te spelen. Gelatenheid! Wat een mooi woord: gelatenheid. Zou ik er talent voor hebben? Dan doe ik het licht uit.

Gelukkig slaap ik dan tenminste nog een paar uurtjes voordat de wekker me herinnert aan mijn plichten. Ik sta, zoals altijd, alleen op, smeer mijn boterhammetjes en verlaat het huis. De wereld is niet veranderd en zal tegelijkertijd nooit meer hetzelfde zijn.