Ik herinner me nog de televisiereeks van Wim Kaizer: Van de schoonheid en de troost. Gesprekken over de troostende werking van schoonheid in een muziekstuk of de schoonheid van een wiskundige formule. Wat maakt het leven nog de moeite waard als alle zingeving opgelost lijkt in het niets? Soms begreep ik de geïnterviewden niet (Martha Nussbaum), soms kon ik ademloos kijken (Coetzee), maar doorgaans vond ik het eenvoudigweg mooi. Sommige gasten van Wim Kaizer konden ook aangeven in welke perioden van hun leven niets meer troostend was, vooral als ze één van hun geliefden verloren, een ouder, een kind, een echtgenote, een dierbare vriend.

Ik herken dat, er zijn momenten dat er niets meer helpt, niets wil meer troosten, alles herinnert nog eens extra aan wat, onherroepelijk, verloren is gegaan. Het raakt aan het wezen van het leven, dieper kan een mens bijna niet gaan. Voor mij geldt, dat als alle muziek heeft afgedaan, de Cantates van Bach mij nog tot steun kunnen zijn. Maar ik weet, dat als ook de Cantates niet meer helpen en als ik niet meer kan lezen en het schrijven stokt, dat ik dan in diepe geestelijke nood moet zijn. Ik hoop dat nooit mee te maken.