Kant verklaart de zedelijkheid tot het enig overgebleven religieuze orgaan. Daarbij vormt de religie strikt genomen niet het fundament van de moraal, maar de religie wordt omgekeerd op de moraal gegrondvest. Dat is van het grootste belang. Als de moraal op de religie was gebaseerd, zou ze van God gegeven, met andere woorden heteronoom zijn. Maar ze moet autonoom zijn. Dat ligt in de lijn van het vrijheidsbegrip van Kant. De mens – de categorische imperatief van de praktische rede – geeft zichzelf zijn moraal. God werkt niet als een dwang van buitenaf op de mens, maar hij heeft hem zo geschapen, dat hij zichzelf kan dwingen. Een autonome dwang, die de mens zichzelf oplegt, in plaats van een heteronome dwang, die een ander hem oplegt. God is werkzaam in de morele zelfbeschikking van de mens. Die zelfbeschikking is verheven, omdat ze zich boven de puur natuurlijke behoeftes en driften kan verheffen. De morele geboden navolgen betekent vrij zijn tegenover de natuurlijke dwang, tegenover de begeerte en het verlangen naar lust die je aan je eigen lichaam ervaart. De goede handeling, die deze naam verdient, geschiedt volgens Kant omwille van haarzelf, niet voor een beloning op aarde of in het hiernamaals.

Rüdiger Safranski Romantiek. Een Duitse affaire, 135