Tegen middernacht fiets ik over een prachtige laan van Zeist naar Bunnik. Ik heb een avond schaken achter de rug, ingevallen in een hoger team van mijn schaakclub in een wedstrijd tegen Zeist. Gelukkig zat ik aan het laagste bord, want ik speelde weer beroerd, de concentratie wilde niet komen. Dat ik niet verloor, kwam door een moment van helderheid. Ik had op slinkse wijze op eeuwig schaak geanticipeerd en toen mijn tegenstander zijn toren van de cruciale lijn haalde om de genadeslag voor te bereiden, kon ik 'toeslaan'. Eeuwig schaak betekent remise, maar mijn tegenstander keek minutenlang alsof hij verslagen was.

Fietsend geniet ik van de pracht van de bomen langs de laan, ik hoor de kikkers kwaken in de stilte. Achter mij de lichten van Zeist, voor mij, vaag, de lichten van Bunnik en rechts in de verte de hoogbouw van De Uithof, het universiteitscentrum van Utrecht. Ik houd mijn tempo expres laag om er extra lang over te doen, alsof ik nog niet thuis wil komen. Ik geniet van het alleenzijn, van de afwezigheid van de wereld, even kan ik afstand nemen van mijn zorgen. De duisternis voorbij de straatverlichting komt weldadig op me over, ik zou er in willen duiken. Alsof de ruimte de suggestie creëert dat je groter bent dan je lichaam, dat je ervan loskomt. Zo zou ik bijna eeuwig willen voortgaan.

Maar onvermijdelijk komt de afslag naar rechts, langs de sportvelden waar eerder op de avond nog de geluiden van tennisballen te horen waren. Ik draai links de brug op over de Kromme Rijn, passeer de oude dorpskerk. Bunnik, slaapdorp. Ik zing in gedachten de basaria Gute Nacht, du Weltgetümmel uit Cantate 27.