Het ligt niet prettig, zo op mijn buik. Ik tuur in het duister, ik weet niet wat ik moet verwachten. Ik herinner me nog dat er ooit bij mijn ouders een halve meter water had gestaan en dat er mannen gekomen waren om het weg te pompen. Maar hier niet, alleen uitgedroogde modder. Geen geluid, geen beweging, zelfs geen ongedierte of een verborgen lijk. Ik knip de zaklantaarn aan en breng licht in deze onderwereld, maar het laat meer van hetzelfde zien. Verlatenheid. Geruststellend, maar ook teleurstellend. Ik kruip nog iets verder voorover om bij het klepje te kunnen komen. Met mijn linkerhand kan ik het net openklappen en met mijn rechterhand laat ik de lantaarn erop schijnen. Dan noem ik de cijfers op en achter mij herhaalt S. de nummers en noteert ze.