Een tijd geleden had ik het boek weer in de kast gezet, eerst wat anders lezen. Vanochtend nam ik het er aarzelend weer uit. Zou ik het nu wel verder lezen? Zou het mijn herfstige humeur niet te zeer versterken, kon ik niet beter wat opwekkends lezen?

Na één alinea wist ik dat ik een goede keuze gemaakt had. Jawel, de teksten zijn deprimerend, de gedachten herken ik, al voel ik ze niet met dezelfde intensiteit. Het is troostrijk om die woorden van Pessoa te lezen, woorden die nauwelijks gerelativeerd worden, woorden die ik mezelf toesta, maar niet zonder ze ogenblikkelijk ter discussie te stellen. Zo'n zin als En op zulke momenten van in mijn maag gevoelde wanhoop duikt er bijna altijd ineens iemand op, een man of een vrouw of zelfs een kind, die representatief is voor de banaliteit waar ik misselijk van word (336). Zo sterk zou ik het zelf niet formuleren, maar als ik niet lekker in mijn vel zit en ik loop door een drukke stad, dan kan ik me ook zo storen aan dat onesthetische alledaagse, dan wil ik het niet zien, dan wil ik het niet horen, dan wend ik me af, het is teveel. De mensen worden dan als schimmen die in mijn ooghoeken voorbij gaan. Alleen al het horen van die schimmen van menselijk spreken, wat uiteindelijk alles is waarmee de meerderheid van de bewuste levens zich bezighoudt, wekt een walgelijke weerzin in mij, een gevoel van angst dat ik verbannen ben tussen spinnen, en het besef dat ik word platgedrukt tussen werkelijke mensen; dan voel ik mij er tegenover de huiseigenaar en het huis toe veroordeeld eenzelfde huurder te zijn als alle andere bewoners van het blok, en loer ik tussen de tralies aan de achterkant van het magazijn met afschuw naar het vuilnis van anderen dat zich als het regent ophoopt op de binnenplaats die mijn leven is (337).

Als adolescent zou ik meegegaan zijn in die misantropische melancholie van Pessoa, ook nadat ik het boek heb dichtgeslagen. Nu blijf ik in gesprek met zijn teksten, glimlach om de herkenning en voel me door de herkenning getroost. Pessoa heeft het begrepen, ik voel me begrepen, ik kan er weer een tijdje tegen en verlang alweer naar een volgend moment om te kunnen lezen. Dit boek zal mij altijd dierbaar blijven, dat weet ik nu al, nog voordat ik het uitgelezen heb. Het boek zal me dierbaar zijn, niet alleen omdat het zo verschrikkelijk mooi is, maar ook omdat ik me tegen die schoonheid zal moeten verzetten. Met Pessoa raak je nooit uitgesproken.

Thans zie ik in dat ik heb gefaald, alleen verbaas ik me er soms over dat ik niet heb voorzien dat ik zou falen. Wat wees er nou op een zege in mij? Ik had noch de blinde kracht van de winnaars, noch de zekere blik van de dwazen... Ik was helder en triest als een koude dag.
(...)
Ik heb geestelijke trekken van een bohémien, van mensen die het leven laten glippen als iets wat door de vingers glijdt op het moment dat het gebaar om het te grijpen verdwijnt bij de gedachte het te doen.
(...)
De rivier van mijn leven is uitgemond in een innerlijke zee. Rond om mijn gedroomde landhuis waren alle bomen in de herfst. Dat cirkelvormige landschap is de doornenkroon van mijn ziel. De gelukkigste momenten van mijn leven waren dromen, treurige dromen, en ik zag me in hun meren als een blinde Narcissus (...)
(...)
Ik weet dat ik heb gefaald.

Fernando Pessoa Boek der rusteloosheid, 343-345