Brieven naar Brugge (4)

wat voorafging

Bunnik, 29 juni 2009

Waarde Pascal,

Er is nog een leven buiten het webloggen en dat leven overspoelt mij de laatste tijd zodanig, dat het me moeite kost om me bezig te houden met de problematiek van intellectuelen en de discussie over vorm en inhoud. Toch wil ik je schrijven, mijn gedachten ordenen. Je moet me maar vergeven dat ik daarbij gebruik maak van verhalen die zolangzamerhand tot mijn persoonlijke canon beginnen te horen. Ik heb ze al zo vaak verteld, ook op deze weblog en wellicht ook bij mijn bezoek aan Brugge. Ik vlieg dus op de automatische piloot ditmaal, gebruik makend van oude stokpaardjes. Want dat is wat ik graag doe: ideeën, gevoelens, gedachten benaderen met verhalen. Abstracte, filosofische gedachtengangen gaan mij niet goed af, ik ben niet in staat een sluitend betoog te houden en als ik heel eerlijk mag zijn: ik doe ook maar wat, ik heb geen strategie, ik heb geen duidelijk vooropgesteld doel voor ogen. Het is als met improviseren aan de piano. Ik ga zitten, plaats mijn handen op de toetsen en daar gaan ze, alsof ze een eigen leven leiden. Natuurlijk maken ze gebruik van ervaring, van de muziek die ik ooit eerder gespeeld of geïmproviseerd heb. Zolangzamerhand beginnen al mijn muzikale spinsels op elkaar te lijken, maar soms dient er zich iets nieuws aan.

Het eerste stokpaardje dat ik vaak berijd is een verhaal afkomstig uit de traditie van het zen-boeddhisme. Een professor bezoekt een zen-leraar, hij wil meer te weten komen over zen. De zen-leraar biedt hem een kop thee aan, maar terwijl hij de thee inschenkt, blijft hij maar schenken. De professor keek toe hoe het kopje overliep tot hij zich niet langer kon inhouden. 'Het is allang vol. Er kan niets meer bij!' 'Net als deze kop,' zei Nan-in, 'bent u vol van uw eigen opvattingen en bespiegelingen. Hoe kan ik u bijbrengen wat zen is als u niet eerst uw kop leegmaakt?'

Het is een prachtige anecdote, omdat het in een paar zinnen zoveel zegt over een westerse wetenschappelijke en een oosterse religieuze houding. De eerste keer dat ik het verhaal las, was in de tijd dat ik me losmaakte van mijn christelijke achtergrond, de tijd van mijn studie. Het was de tijd dat ik wilde zijn als die zen-leraar, maar tegelijkertijd was ik een spons die alles in zich op wilde nemen: literatuur, muziek, film, filosofie enz. enz.

Ondertussen lees ik het verhaal geheel anders. Nu stoort me de anti-intellectualistische houding van de zen-leraar. Met het verzamelen van kennis zul je nooit het leven doorgronden, pas als je zen beoefent en verlichting realiseert zul je het begrijpen. De zen-leraar lijkt te suggereren dat de professor dezelfde wens heeft als hij, maar de professor wil alleen een levenshouding doorgronden en niet noodzakerlijkerwijs het leven zelf. De handeling van het doorschenken en de uitleg ervan symboliseert niet de vermeende wijsheid van de zen-leraar, maar de kloof tussen twee verschillende manieren van kijken naar het leven.

De zen-leraar lijdt aan het leven en zoekt verlichting in onthechting en non-dualiteit, in het vertrouwen dat er eenheid schuilt achter de tastbare werkelijkheid. Niet gehinderd door de sluipwegen van zijn ego meent hij de ware wereld te ervaren. Nu kan hij pas echt proeven, ruiken, luisteren, zien en smaken. Wat een zen-boeddhistische gelukzaligheid!

De professor is geïntrigeerd door het leven zoals het in al zijn ellende en schoonheid aandient. Hij wil juist door zijn persoonlijkheid heen ruiken, proeven, zien, luisteren en voelen, niet omdat dat 'het leven' zou zijn, maar 'zijn leven'! Hij lijdt alleen niet onder het leven, hij glimlacht erom omdat er zoveel te ontdekken valt, en daar is het lijden slechts één onderdeel van, een onderdeel van het mysterie dat het leven ook is. Geen gelukzaligheid, maar leven met de imperfecties, want dat hoort bij het leven. Zijn persoonlijkheid geeft kleur, smaak enz. aan dit voortmodderen. Het is een intellectualistische houding.

Er zit nog iets in dit verhaal, namelijk de flauwiteit van het doorschenken van de thee. Iedereen weet dat er maar een bepaalde hoeveelheid thee in het kopje kan en iedereen weet dat je altijd wat ruimte moet overlaten aan de bovenkant om het kopje zonder knoeien te kunnen oppakken, naar de mond brengen en te genieten. Als het kopje het leven is, de thee de kennis die je denkt te vergaren, dan moet er altijd nog ruimte overblijven voor het mysterie. Maar je zou ook kunnen zeggen, dat het kopje de vorm is, de thee de inhoud en die ruimte het mysterie dat kunst tot kunst maakt. Zo heb ik dan tijdens mijn improvisatie de modulatie gevonden om naar het volgende verhaal te gaan.

Tijdens mijn studie muziekwetenschappen heb ik een reeks lezingen gevolgd die werden gegeven door Louis Andriessen. Andriessen vertelde over de totstandkoming van zijn eigen werk, maar voordat hij daarover van wal stak, kaartte hij eerst de kwestie van vorm en inhoud aan. Ik zal nooit vergeten hoe hij al ijsberend zijn buideltje shag te voorschijn haalde en tijdens het draaien uitlegde hoe hij over de relatie vorm en inhoud dacht. Dit is de vorm en hij toonde ons een vloeitje. Dit is de inhoud en hij legde shag op het vloeitje. Daarmee ga je aan de slag, je draait en draait totdat het een shaggie is geworden. Vervolgens deed hij iets wat heden ten dage voor de antirookgestapo ondenkbaar zou zijn: hij rookte daadwerkelijk zijn shaggie terwijl hij zijn verhaal vervolgde.

Voor mij was dit een bevestiging van een eigen gedachte die ik sindsdien met zelfvertrouwen koester. Het is niet zo dat de vorm of de inhoud primeert, het gaat om de combinatie van die twee. Sommige kunstenaars gaan uit van de vorm, anderen vinden eerst de inhoud, maar uiteindelijk komt er een proces waarbij vorm en inhoud tot een eenheid gebracht moeten worden. De vorm buigt zich naar de inhoud, de inhoud buigt zich naar de vorm en samen vormen ze een spanningsveld die nodig is om boven het eindresultaat uit te springen. Ik wil daarmee niet zeggen dat ze een perfect evenwicht moeten vormen, zoals het evenwicht in het taoïstisch symbool voor yin en yang, maar wel, dat het ene niet los gezien kan worden van het andere. Het zal nooit perfect zijn, het moet ook niet perfect willen zijn, want wanneer vorm inhoud wordt en inhoud vorm (mocht dat mogelijk zijn!), dan is er geen spanning meer, dan is de kunst opgelost in zichzelf en buiten bereik.

Fernando Pessoa schrijft ergens: Een gedicht dat ik mijn dromen bedenk, vertoont pas gebreken als ik het op papier zet. En verderop: (...) de grootste dichters van de stilte die, wetend dat ze een perfect gedicht konden schrijven, voltooiden [dat liever] door het niet te schrijven. Ik heb daarbij de kanttekening geplaatst: het gedicht wordt pas een gedicht als het op papier gezet wordt en wanneer iemand het leest! Pas dan gaat het leven (leven). Een weg is pas een weg als iemand hem bewandelt. Muziek is pas muziek als iemand de noten tot leven wekt en als ze gehoord worden. Een verhaal is pas een verhaal als het verteld wordt of als iemand al lezend woorden tot gedachten en associaties vormt. En als iemand interpreteert en beschouwt met zijn persoonlijkheid, dan is dat zeer waarschijnlijk een intellectueel.

Ik heb deze brief getikt alsof ik improviseerde op de piano. Natuurlijk hield ik enigszins de vorm in de gaten terwijl ik schreef en kan ik de ongepolijste versie nog wat knippen, plakken en scheren à la meneer Ockham, iets wat met de vluchtigheid van pianoklanken niet kan. Wanneer ik dat gedaan heb zal ik me excuseren voor het teveel aan woorden en een teveel aan onuitgewerkte gedachten en eindigen met een welgemeende groet.

groet!
jwl