De wind was koud. Misschien had ik een jas aan moeten trekken, maar ik had geen zin om weer terug te gaan. Misschien wilde ik juist de kou voelen, zodat ik mijn eigen wanhoop minder zou voelen. Sommige mensen gaan wandelen in de natuur om een en ander op een rijtje te krijgen, zoals ze dat zeggen. Ik vluchtte.

De zon verdween in het westen en de wolkenmassa's kwamen op de wind uit het zuidwesten aanzeilen, een prachtig gezicht! In de bocht lagen een aantal schepen voor anker, zo nu en dan zag ik iemand op een dek wat rommelen.

Het geklots van de golven tegen de voet van de dijk. Het spel van licht en donker op de golvende oppervlakte van de Waddenzee. Hier en daar een eenzame vogel op zoek naar voedsel. Ik moest denken aan een fragment van Nietzsche: mensen zijn zo graag in de natuur omdat deze geen mening over ons heeft.

De wolken, de zee, de vogels, ze spreken geen oordeel uit, ze willen niets van mij, ze hebben geen verwachtingen. Ze komen slechts voorbij, ze gaan hun weg in tijd en ruimte. Ze gaan hun vanzelfsprekende weg, er wordt niets geforceerd. Zo is het altijd gegaan, zo zal het altijd gaan, ook als ik daar niet meer zit op dat bankje.

Bijna wilde ik niet meer opstaan, ik stelde het moment steeds uit, om langzaam maar zeker een onderdeel te worden van dat eeuwige voortgaan. Maar ik voelde de kou en ik wist dat ik nog een rol te spelen had. Na de vlucht komt de terugkeer naar daar waar ik hoor, naar daar waar ik thuis wil zijn. Ik nam de wolken, het water en de vogels mee. Niet oordelen, niet forceren, het zal allemaal goed komen.