Brieven naar Brugge (5)

wat voorafging

Bunnik, 20 augustus 2009

Waarde Pascal,

Onlangs wandelde ik weer door het bos Amelisweerd. Het is onderdeel van een oud landgoed dat tussen Utrecht en Bunnik ligt. Samen met het landgoed Rhijnauwen en de loop van de Kromme Rijn vormt het een prachtig natuurgebied. Ik prijs me gelukkig dat dit voor mij om de hoek ligt, het is mooi uitstapje met de kinderen, ik kan er zo naartoe lopen. In het weekend is het er vaak druk als het mooi weer is. Velen komen van ver om er te wandelen of te fietsen.

Het landgoed Amelisweerd kent een historie die terug gaat tot in de Middeleeuwen. Toen lag het nog ver buiten de muren van Utrecht, tegenwoordig heeft de stad het voor een deel geannexeerd. Wanneer ik door het bos loop kan ik de ruis van de snelwegen horen. Toen de A27 begin jaren tachtig door het westelijk deel van Amelisweerd werd aangelegd was er zeer heftig verzet van veel mensen. Ik was toen vijftien jaar, maar ik herinner me nog hoe het leefde in Nederland. Ik kan het gemopper van mijn vader op die natuurfanaten nog horen. Milieuactivisten waren voor hem links, werkschuw en ondankbaar tuig die teerden op zijn zuurverdiende belastingcentjes en die op deze wijze de vooruitgang tegenhielden, onze welvaart kapot maakten, iets waar sinds de oorlog zo hard voor gewerkt was. Mijn vader hoefde zich geen zorgen te maken. Met door de overheid gecontroleerd geweld werden de actievoerders weggehaald, de bomen gekapt en de A27 aangelegd. Nu zeventwintig jaar later maak ik geregeld gebruik van die snelweg om – als er geen file staat – met de auto snel van A naar B te komen. Maar wanneer ik door het bos wandel betreur ik het dat mensen zoiets moois offeren voor wat zij welvaart noemen. Dan vraag ik me af of ik bereid zou zijn om welvaart in de leveren om de wereld weer schoner en leefbaarder te maken. En (ad absurdum) zou er ooit een tijd komen dat mensen besluiten dat het genoeg geweest is, dat ze snelwegen zouden afbreken om de natuur weer ruimte te geven? Zou er ooit een generatie komen die welzijn en leefbaarheid belangrijker vinden dan welvaart en een groeiende economie?

IJdele hoop, vrees ik. Vorig jaar werden er plannen gepresenteerd om een nieuwe snelweg aan te leggen. De A27 die de A28 met de A12 verbindt is niet genoeg gebleken, nog steeds staan er dagelijks files op deze wegen, wordt de doorstroming gehinderd, slibt alles dicht. Eén van de plannen is om een snelweg aan te leggen langs Bunnik en het landgoed Rhijnauwen, dwars door de Kromme Rijnstreek. Dat het een uniek natuurgebied is doet niet ter zake. Dat er vele mensen recreëren in dit gebied is van onderschikt belang. Dat er belangrijke culturele plekken zijn, zoals het negentiende eeuwse fort Rhijnauwen, daar ligt de minister van verkeer niet wakker van. Men pakt een landkaart en een lineaal en men trekt een streep. Het is goed voor de economie en wat goed is voor de economie, dat is goed voor ons. Het is niet zeker dat deze plannen doorgaan en natuurlijk wordt er geprotesteerd. Er zijn alternatieven en het gerucht gaat dat deze plannen een politieke afleidingsmanoeuvre zijn om de plannen elders doorgang te laten vinden. Schaamteloos zou men dan dit plan gemaakt hebben, omdat men weet dat dit plan op veel verzet zal stuiten, zodat men uiteindelijk kan zeggen: ok, dan niet daar, maar dan doen we het op een andere plek (en dat is natuurlijk de plek die men wilde). Het publiek zal dan tevreden zijn en zich niet meer afvragen of een nieuwe snelweg überhaupt wenselijk is, waar dan ook. De economie kan voortdenderen en wij kunnen gelaten genieten van de welvaart die het ons brengt en ook nog wandelen in het bos Amelisweerd waar niet alleen de bomen ruisen.

Economische vooruitgaan (of: economische voortgang) speelt in onze tijd net zo'n rol als godsdienst in de Middeleeuwen. Was de blik van de middeleeuwer gericht op god en het hiernamaals (memento mori), tegenwoordig staat het leven in dienst van economische voorspoed. We moeten werken, produceren en consumeren, voorwaar een heilige drieeenheid. En de genade van het consumeren geeft ons een prettig gevoel, lang leve de dopamine. Maar we verwachten de beloning niet meer in een hiernamaals, nee de beloning moet ons nog tijdens het leven toevallen. Nog meer vliegvakanties, nog meer auto's, nog meer gadgets.

Met de secularisatie, met de dood van God, is veel verdwenen wat van waarde was. Het is alsof we God de kostbaarheden hebben meegegeven in Zijn graf. Nietzsche vroeg zich het al af in zijn beroemde aforisme van de dwaas: wat hebben we gedaan toen we de zon van deze aarde loskoppelden? Er is geen boven of onder meer, we zweven maar wat rond in de oneindige ruimte. De vraag is of mensen zoveel ruimte aankunnen. Ik denk het niet gezien de hang naar verdovingsmiddelen, antidepressiva, zenmeditatie, porno en de virtuele wereld. Moeten we niet zelf goden worden als we de ware wereld afschaffen, vroeg Nietzsche zich af. Een terugweg is niet mogelijk, we zullen over onze eigen schaduw moeten springen willen we deze aarde niet langzaam maar zeker verwoesten.

Soms schrik ik van de woorden die op het beeldscherm verschijnen. Ben ik werkelijk zo somber? Wordt de kijk op de wereld niet ook ernstig beïnvloed door het eigen leven? Projecteren we onze eigen ellende niet te gemakkelijk op de wereld? Maakt het feit dat ik in de Randstad leef, dat ik dagelijks het beton en asfalt zie, dat ik dagelijks de afwezigheid van wezenlijke omgangsvormen mis in het openbaar vervoer, dat ik dagelijks de herrie, de stank, de lelijkheid ervaar – maakt dat verschil? Zou iemand in een dorpje op het platteland niet veel gemakkelijker gemoedsrust vinden, omdat zijn omgeving vriendelijker is? Ik denk van wel.

De biotoop van de mens in de eenentwingste eeuw is de stad. De chaos en zelfdestructie van het leven in de steeds groter groeiende steden leidt weliswaar bij sensitieve mensen tot creativiteit en nieuwe ideeën, tot kunst, literatuur en filosofie, maar je bent als intellectueel in deze tijd als der tolle Mensch van Nietzsche: iemand die am hellen Vormittage eine Laterne anzündete, auf den Markt lief und unaufhörlich schrie: 'Ich suche Gott! Ich suche Gott!' De dwaas oogstte bij Nietzsche op de markt nog smalend gelach. De markt is internet geworden en de mensen lachen je niet eens meer uit, nee veel erger: men haalt zijn schouders op, negeert en surft verder.

je compaan in de dwaasheid,
jwl