de eeuwige terugkeer (13)

Een aantal jaren geleden begon ik aan een reeks, de eeuwige terugkeer genaamd, waarbij ik in de voetsporen van Nietzsche wilde treden. Vanaf zijn ontslag van de universiteit van Basel in mei 1879 (zie 580) zou ik hem volgen tot aan zijn ineenstorting in januari 1889. Tien jaren, waarin hij bijna al zijn hoofdwerken schreef, tien jaren waarin hij voortdurend heen en weer reisde op zoek naar een plek waar hij zich thuis zou voelen en waar de beste omstandigheden waren voor zijn gezondheid. Ik wilde met Nietzsche oplopen in de bergen, ik wilde met hem reizen in de trein, over zijn schouder kijken bij het schrijven. Het moest een persoonlijk verhaal worden. Ik zou beginnen en wel zien waar het naartoe leidde. Natuurlijk zou het in het begin wat onwennig zijn, maar ik zou mijn stijl onderweg wel vinden. Ik ben geen Nietzsche-specialist, laat staan een academisch geschoold filosoof, de kans op het schrijven van onzin is altijd aanwezig. Daarom: het is geen studie van Nietzsche, maar een wandeling waarbij ik Nietzsche vragen stel, wat mijmer en zo nu en dan pogingen tot begrip doe.

Het was een prachtig plan, maar in de praktijk was het moeilijk uitvoerbaar. Werk en gezin liepen een geconcentreerd werken aan dit project in de weg. Tijd om op zolder achter de pc plaats te nemen was er niet. Bovendien stonden mijn Nietzsche-boeken weer elders, want op zolder was daar geen ruimte voor. Ondertussen is dat niet veel beter, maar nu beschik ik over een laptop en kan ik op een zeldzame lege avond wellicht de draad weer oppakken.

Waar had ik Nietzsche achtergelaten? Na het nemen van ontslag had ik hem gevolgd tot 8 juni 1879 (zie 780). Hij verbleef toen in Wiesen (Zwitserland) en voelde zich beroerd. De zin die hij aan zijn zus Elisabeth schreef is bijna programmatisch voor de rest van de jaren die komen: Schmerz, Einsamkeit, Spaziergehen, schlechtes Wetter - das ist mein Kreislauf.

In Basel was ondertussen zijn ontslag geaccepteerd en werd hem een uitkering in het vooruitzicht gesteld. Nietzsche beschikte sinds zijn ontslag niet meer over inkomsten. In Naumburg werd bij een bankier nog een erfenis beheerd waar hij uit kon putten, maar dat zou niet genoeg zijn geweest. De beslissingen in Basel maakten dat Nietzsche kon beschikken over voldoende inkomsten, niet veel voor die tijd, maar genoeg voor Nietzsche die er een bescheiden levensstijl op nahield.

R. Falkner an Nietzsche, 14. Juni 1879: "Der Regierungsrath des Kantons Baselstadt ertheilt nach Antrag des Erziehungsdepartements dem seit Ostern 1869 an der Universität und am Pädagogium als Professor der griechischen Sprache und Litteratur angestellten Herrn Dr. ph. Fr. Nietzsche die von demselben aus Gesundheitsrücksichten nachgesuchte Entlassung auf Ende des laufenden Monats, bezeugt demselben für die ausgezeichnete Art, womit er seines Amtes gewaltet, den aufrichtigen Dank der Behörde, und bewilligt ihm für die nächsten sechs Jahren einen Ruhegehalt von eintausend Franken im Jahr. Der Präsident des Regierungsrath R. Falkner" [KGB, II, 6, 2, Nr. 1198, S. 1118]

Chronik, 454

Naast deze uitkering kon Nietzsche rekenen op nog eens duizend Franken uit het Heusler-fonds. Een maand later kan zijn vriend Overbeck melden, dat ook het Academisch Genootschap hem zes jaar lang 1000 Franken zal uitkeren. We mogen deze instanties wel dankbaar zijn, want zij maakten het mogelijk dat Nietzsche de komende jaren zonder noemenswaardige geldzorgen kon schrijven en reizen. Overigens hebben ze zich nooit aan die zes jaren gehouden: in 1889 ontving Nietzsche deze uitkeringen nog steeds.

Op 18 juni 1879 schrijft Elisabeth en haar broer uit uit de burgerlijke stand van Basel. Vanaf dat moment zal Nietzsche in zijn bewuste leven geen vast woonplaats meer hebben. Maar ook in zijn denken zijn de vertrouwde woonplaatsen ondertussen verlaten.