Hij keek me verwonderd aan. Was ik zojuist niet tegen zijn geloofsovertuiging ingegaan? Had ik daarnet niet beweerd dat alle pogingen tot zingeving illusies zijn? Ik had al enige tijd ergernis in zijn houding opgemerkt en daarom had ik na een gespannen stilte maar gezegd, dat ik desondanks een geloofsovertuiging heel nuttig vond. Immers, beweren dat het leven zinloos is, is één ding, maar die zinloosheid tot in alle uithoeken van je leven ervaren is totaal wat anders. Wie zou het besef aankunnen dat alles tevergeefs is, geen enkel doel dient en dat wijzelf niet meer zijn dan een zucht in de eeuwigheid ... en misschien zelfs dat niet? Natuurlijk, het zou best kunnen dat er wel degelijk een zin is, alleen missen we een antenne om die zin op te vangen en te herkennen, laat staan om daar absolute zekerheid over te verkrijgen. In ieder geval zijn de meningen en overtuigingen daarover zeer verdeeld. Echter, het maken van illusies is zeer nuttig voor onze geestelijke gezondheid. Daarom, uit liefde voor onze naasten en onszelf, ja, voor het leven zelf: laten we illusies scheppen, ze weliswaar doorzien, maar ze niettemin willen. Laten we instemmen met de misleiding en het bedriegelijke van wat we waarheid noemen. Er was weer een stilte gevallen en toen hadden we de fles wijn maar geleegd.

Enkele weken later moest ik aan dit gesprek terugdenken. Mijn ouders waren op bezoek geweest bij een oom die leed aan ALS (Amyotrofe laterale sclerose). Hij wist dat hij ging sterven en dacht na over na de dood. Omdat mijn moeder gelovig is, wilde hij graag weten wat haar ideeën waren over een leven na de dood. Mijn moeder vertelde me over dit gesprek en sindsdien denk ik er wel eens over na wat ik geantwoord zou hebben? Wat zeg ik tegen iemand die in een rolstoel zit, nauwelijks zonder beademing kan en de dood in de ogen kijkt? Natuurlijk iets geruststellends en wellicht zou ik begonnen zijn over al die bijna-dood-ervaringen waar ik wel eens over gelezen had. Over die tunnel en het witte licht waar aan het einde de reeds overleden dierbaren je zouden staan opwachten. Ik zou illusies scheppen, ik zou een mooi verhaal creëren, wat zou ik anders kunnen? Vertellen dat ik niet overtuigd ben dat de mens meer is dan een lichaam? Dat datgene wat we ziel of geest noemen, waarschijnlijk slechts een functie van onze hersenen is en dat als het lichaam stopt met leven ook onze voorstellingen van ziel en geest verdwijnen als sneeuw voor de zon? Dat kunnen we toch niet werkelijk denken? Laat staan dat het geruststellend is? Of toch wel?

Ik weet het niet.