de eeuwige terugkeer (15)

Nietzsche was een wandelaar als hij zich lichamelijk goed voelde. Het liefste ging hij lopen in de vroege ochtend, als de schaduwen nog lang zijn. De ochtend is het mooiste moment van de dag, het volgt op de nacht. Wie 's avonds met raadsels blijft zitten ontdekt niet zelden dat de volgende ochtend de oplossingen zich als vanzelf aandienen. Dat moet je niet overstemmen met lezen en schrijven, dan kun je beter gaan wandelen en opmerken wat zich aandient.

Het wandel-motief komt voortdurend terug in Nietzsche's teksten. De titel van de tweede aanvulling bij Menschliches, Allzumenschliches heb ik al genoemd, Der Wanderer und sein Schatten. Of het de eerste maal is dat hij die titel noemt weet ik niet, maar in een aantekeningenboekje uit juli 1879 staat: De wandelaar en zijn schaduw. Een gezwets onderweg (N IV 1, juli 1879, 41[72]). Bij de tweede editie in 1886 schrijft Nietzsche een nieuw voorwoord, waarin hij terugblikt op het ontstaan van Menschliches, Allzumenschliches en het werk in een ontwikkeling probeert te plaatsen. In het volgende fragment zou men zich kunnen voorstellen dat Nietzsche, in gesprek met zichzelf, zijn gezelschap verzon om mee te wandelen.

– Zo heb ik dan op een keer, toen ik er behoefte aan had, ook de 'vrije geesten' verzonnen aan wie dit zwaarmoedige-moedige boek met de titel 'Menselijk, al te menselijk' is opgedragen: zulke 'vrije geesten' zijn er niet, waren er niet, – maar ik had ze destijds, zoals gezegd, als gezelschap nodig, om goedgeluimd te blijven onder slechte omstandigheden (ziekte, vereenzaming, buitenland, acedia, lediggang): als dappere kerels en spoken, met wie men keuvelt en lacht als men zin in keuvelen en lachen heeft en die men naar de duivel zendt als ze vervelend worden, – als een schadeloosstelling voor ontbrekende vrienden. Dat zulke vrije geesten ooit zouden kunnen bestaan, dat ons Europa onder zijn zonen van morgen en overmorgen zulke montere, vermetele kerels zal tellen, in levenden lijve en tastbaar, en niet, zoals in mijn geval, alleen als schaduwbeelden en schimmenspel van een kluizenaar: daar zou ik in de laatste plaats aan willen twijfelen. Ik zie hen reeds komen, langzaam, langzaam; en wie weet doe ik iets om hun komst te bespoedigen wanneer ik bij voorbaat beschrijf onder welk gesternte ik hen zie ontstaan, over welke ik hen zie komen? – –

Friedrich Nietzsche Menselijk, al te menselijk, 12-13

Het woord kluizenaar valt en wellicht zag Nietzsche zichzelf zo. Maar niet een kluizenaar die onthecht in zijn sobere kluis in een klooster zijn leven wijdt aan God, maar een wereldlijke kluizenaar die zich niet terugtrekt in een stenen gebouw, maar voor wie de wereld zijn klooster is. Hij wijdt zich aan het nabije leven, niet aan een God ergens ver weg, maar hij probeert illusies te ontmaskeren. Liever alleen dan slecht gepaard. Wie elke zomer uit zijn woonplaats weggaat, vlucht niet zozeer voor zichzelf als wel voor zijn omgang met anderen. (...) Je wordt reiziger, 'wandelaar' als je je nergens thuis voelt. Dus: het moderne klooster, (N IV 2, juni-juli 1879, 40[20]) schrijft hij in een aantekeningenboek. (Terzijde: Thomas Graftdijk vertaalt voor de Arbeiderspers Der Wanderer und sein Schatten als De reiziger en zijn schaduw wat volgens mij dus foutief is. Dit is aan de hand van het voorgaande citaat mooi te zien, aangezien Nietzsche hier Reisender naast Wanderer gebruikt, door Mark Wildschut vertaald in respectievelijk reiziger en wandelaar.) Het is niet de eerste keer dat hij over een modern klooster schrijft. Al in 1876 bracht hij het in verband met vrije geesten: Moderne kloosters – instellingen voor zulke vrije geesten – iets lichts bij onze grote vermogens. (N II 1, 1876, 16[45])

Wie als vrije geest zijn geld goed wil besteden, moet instituten oprichten in de trant van kloosters, om voor mensen die verder niets meer met de wereld te maken willen hebben een vriendschappelijk samenleven in de grootst mogelijke eenvoud mogelijk te maken.

U II 5b, zomer 1876, 17[50]

De wereld als klooster waarin mensen in eenvoud samenleven, niet om God te aanbidden, maar om het leven zelf te omarmen zoals het zich aandient. Wel, daar zie ik meteen een oplossing voor de milieuvraagstukken en de kredietcrisis in, wat ik u brom! Het kan ogenblikkelijk op mijn sympathie rekenen, al zal Nietzsche het wel niet zo bedoeld hebben, hij hoefde zich niet druk te maken over overconsumptie en milieuvervuiling. Toch komen sommige aantekeningen van hem verrassend actueel over, want terwijl ik de passages over het moderne klooster zocht, kwam ik de volgende aantekening tegen die zo van toepassing zou kunnen zijn op de deze tijd.

De moderne ziekte is: een overdaad aan ervaringen. Laat daarom iedereen tijdig bij zichzelf te rade gaan om zich niet in die ervaringen te verliezen.

U II 5b, zomer 1876, 17[51]