Brieven naar Brugge (6)

wat voorafging

Bunnik, 30 oktober 2009

Waarde Pascal,

Dit wordt dan de eerste brief aan jou die ik achter mijn nieuwe bureau schrijf. Op mijn website schreef ik al, dat deze plek me doet denken aan mijn studietijd. Vreemd hoe ik nog steeds put uit die tijd, een veelbewogen tijd, waarin ik ontzettend veel las, muzieken beluisterde en films bekeek. Ja, ik teer nog steeds op die tijd, al is het decor en zijn de figuranten veranderd. Indertijd pasten al mijn bezittingen in een kamer van drie bij vijf. Mijn boeken, lp's, video's, alles had ik als het ware binnen handbereik. Ik gunde mezelf ook de tijd om echt te lezen, echt te luisteren en te kijken, het ging niet zo goed met mijn studie. Nu is mijn leven veel minder overzichtelijk. De ruimte waarin ik nu schrijf is tweemaal zo groot, maar mijn boeken staan in de huiskamer, alleen mijn collectie Nietzsche-boeken heb ik nu naast het bureau staan (naast de ordners met administratie en de woordenboeken).

Nietzsche, het zal je niet zijn ontgaan dat deze historische figuur een blijvende liefde is in mijn leven. Het ontging mijn psycholoog ook niet en hij vroeg me wat het dan precies was, dat me zo met deze man en zijn werk verbond. De vraag overviel mij en tot mijn eigen verbazing wist ik niet direct aan antwoord te geven. Na een lange stilte hoorde ik mezelf antwoorden: ik denk dat ik het gevoel me niet thuis te voelen in deze wereld, deel met Nietzsche. Elke dag de verwondering over de wereld waarin ik terecht gekomen ben. Het werkelijk niet kunnen begrijpen waarom mensen leven zoals ze leven en me daarbij realiseren, dat ik net zo'n leven leid. Daarom voel ik me een dwaas, omdat ik wel weet dat ik me niet onderscheid en tegelijkertijd met een brandende lantaarn in vol daglicht aan het zoeken ben. Kijk, jwl jij dwaas, het is al licht, waarom dan de wereld willen verlichten?

Er zijn verschillende teksten waar ik steeds naar terugkeer (heb jij ook zulke teksten?). De dolle mens uit De vrolijke wetenschap, waar we over schreven in onze vorige brieven, is er één van. Ik weet evenmin als jij wat de officiële Nietzsche-exegese over deze tekst te melden heeft, maar sta mij toe met jouw brief in de hand, wat gedachten over deze tekst met je te delen. Want ik interesseer me er doorgaans bar weinig voor hoe je tekst zou moeten lezen en begrijpen. Het gaat mij uiteindelijk om wat een tekst bij mij teweeg brengt. Ik lees de tekst van Nietzsche namelijk anders dan jij. Het is niet mijn bedoeling je te overtuigen van mijn visie op deze tekst (het zegt meer over mij dan over de tekst), maar ik wil je graag tonen, hoe je het ook kunt lezen.

Laat ik beginnen met de constatering dat ik deze tekst nauwelijks als een filosofische tekst kan lezen. Het heeft alles van een vertelling (Habt ihr nicht von jenem tollen Menschen gehört ... en verderop: Man erzählt noch ...), een verhaal van horen-zeggen. De tekst is eerder literair dan filosofisch, iets wat Nietzsche voor onacademische lezers van filosofie als ik natuurlijk zo aantrekkelijk maakt. Zodra een tekst literair is, mag (moet) men het anders lezen, mag (moet) men zoeken naar verbanden in een tekst die niet direct aan de oppervlakte liggen. Ach, dit hoef ik jou toch niet uit te leggen!

Mijn keus om Der tolle Mensch te vertalen met de dwaas heeft een paar redenen. Ik vind De dolle mens een ongelukkige vertaling, omdat de betekenis van het bijvoeglijk naamwoord 'dolle' niet zo duidelijk is. Tegenwoordig kennen we in Nederland het werkwoord 'dollen', gek doen op een vrolijke wijze. Daarvoor vind ik Nietzsches tolle Mensch te ernstig. Bovendien weten we dat Nietzsche graag parodieerde op teksten uit de Bijbel en in verband met deze tekst is vaak gewezen op een tekst uit het boek Psalmen: De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij bedrijven gruwelijk en afschuwelijk onrecht; niemand is er, die goed doet. God ziet neder uit de hemel op de mensenkinderen, om te zien, of er één verstandig is, één, die God zoekt. (Psalm 53:2-3). (In de Bijbel wordt wel vaker goddeloosheid verbonden met dwaasheid, de goddelozen verkeren in duisternis, ze zijn ontwetend. De weg der goddelozen is als duisternis; zij weten niet, waarover zij kunnen struikelen. (Spreuken 4:19)) In Duitse vertalingen van deze verzen vindt men het meervoud voor 'de dwazen': Die Toren. Dat doet me ogenblikkelijk denken aan de opera Parsifal van Richard Wagner waar de hoofdrol wordt gespeeld door Die reine Tor Parsifal, een naieve dwaas die uiteindelijk tot inzicht komt en promotie maakt tot hoofd van de graalridders, een christelijke, mystieke orde. Parsifal brengt de graalridders uit de duisternis naar het licht. Nietzsche kende het libretto van deze opera en verafschuwde het. Parsifal ging in 1882 in première, het jaar waarin De vrolijke wetenschap uitkwam.

Nee, ik kan De dolle mens niet beschouwen als een vroom mens, althans niet in godsdienstige zin. Hij onderscheidt zich van de goddelozen op het marktplein (Wir haben ihn getötet – ihr und ich! Wir alle sind seine Mörder!) niet door zijn vroomheid, maar door het besef van de betekenis van Gods dood. Onze dwaas somt in beeldende taal de gevolgen op en je kan je afvragen: wie is hier nu eigenlijk dwaas? De dood van God is een metafoor voor het verlies van alle metafysische zingeving en wat de dwaas zoekt is niet zozeer God, als wel een zingeving die buiten de mens gevonden moet worden. Hadden we niet zelf eerst goden moet worden, voordat we God vermoorden? Hadden we niet eerst een zingeving in onszelf moeten vinden, voordat we alle externe zingeving overboord gooiden? De dwaas twijfelt niet aan de grootsheid van de moord op God (Ist nicht die Größe dieser Tat zu groß für uns?). De dwaas die God zoekt, zoekt uiteindelijk de God in zichzelf. (Had Augustinus in zijn Belijdenissen al niet ergens geschreven dat wie God zoekt, niet naar buiten moet gaan, maar moet inkeren in zichelf?) Of wellicht beter: wie God zoekt, zou uiteindelijk wel eens bij zichzelf uit kunnen komen.

Meer nog dan de provocerende proclamatie van de dood van God, vind ik het kapot gooien van de lantaarn het dramatische moment in deze tekst. Eerst diende het als hulpmiddel bij het zoeken naar God, maar als dat een gepasseerd station is, moeten er lantaarns aangestoken worden om de oprukkende duisternis te verdrijven (Kommt nicht immerfort die Nacht und mehr Nacht? Müssen nicht Laternen am Vormittage angezündet werden?). Maar als de dwaas zwijgt en de anderen op het marktplein ook zwijgen en hem bevreemd aankijken, realiseert de dwaas zich dat ook het licht niet van de mensen zal komen. Wanneer hij dat beseft, gooit hij de lantaarn, die toch een bron van hoop was, kapot. (Ook hier Bijbelse associaties. De dolle mens lijkt wel een karikatuur van een Bijbelse profeet die het volk Israel vermaant en die zich afwendt als het volk niet wil luisteren.) Der tolle Mensch is een antiparabel. Hier wordt geen hogere waarheid aanschouwelijk gemaakt. Deze tekst brengt ons een intens sombere boodschap: we kunnen niet meer rekenen op een door God gegeven zingeving en de mensen zijn (nog?) niet in staat dit gat in de wereld op te vullen. Er zijn geen vaste waarden meer, er zijn geen referenties meer (de dwaas is verstandig, de mens moet goddelijk worden, het daglicht is eigenlijk duisternis - het is allemaal inwisselbaar geworden). Wie licht wil, zal in zichzelf moeten zoeken, maar ook dat is geen garantie.

Prachtig hoe de verteller aan het eind van dit korte verhaal nog de camera afwendt van het marktplein en de dwaas kerken laat binnendringen. De dwaas treurt om een wereld die verloren is gegaan en nooit zal terugkeren. Kerken zijn musea geworden en ik denk dat dat al geldt voor veel kerkgebouwen in onze tijd. Het kan zijn dat ik teveel met eigentijdse bril deze tekst lees, maar desalniettemin denk ik dat Nietzsche een schitterende tekst heeft geschreven dat nog steeds van betekenis is voor onze tijd.

Pascal, je hebt gelijk, we hebben een kompas nodig. Maar wat zou de status van dat kompas zijn, wanneer de grond voor een absolute waarde ontbreekt? Hoe moeten we het kompas dan ijken? Waar moeten we zoeken? Gaat het niet om het vinden, maar om het zoeken? Of is het zoeken zelf het probleem – alle pogingen van filosofen als Martha Nussbaum ten spijt? Moeten we niet eens proberen juist niet te zoeken naar een absoluut waardensysteem? Misschien vinden we dan wel iets waar we niet naar zochten, maar dat best iets zou kunnen zijn waar wel naar zochten.

Er zijn nog zoveel gedachten die geen plek hebben gevonden in deze brief. Wie weet vinden ze nog hun weg in een volgende brief of in een andere tekst op deze website. Nu ben ik moe, ik doe het licht uit en verlaat mijn plek achter het bureau. Soms moet je eenvoudigweg doen wat je moet doen, daar is geen hoger waardensysteem voor nodig. Ik heb slaap, dus ga ik slapen. Zo eenvoudig kan het leven zijn.

het ga je goed!
jwl