De scheiding heeft hij in zijn brein wel kunnen plaatsen, maar zijn gevoel wil er maar met moeite aan. Zijn verstand is redelijk en snel en sterk genoeg om zijn negatieve emoties te weerstaan, maar het schiet tekort als baken voor zijn koers. Op het langzaam zinkende schip van zijn bestaan is zijn verstand de stuurman en zijn gevoel de kapitein. Het is een taai gevoel, dat maar moeizaam wil doven en zich steeds weer herstelt. Chaos voor de boeg, heeft hij gedacht, want zo ging het ook na twee eerdere strandingen. Jaren varen op gegist bestek, jaren zwalken op een oceaan van whisky en van bier. Alles valt te zeggen in een nauties idioom, maar geen haven komt in zicht. Potare necesse est.

Waarom kon zij niet aanvaarden dat mannen en vrouwen elkaars natuurlijke vijanden zijn en dat elke concessie een voorschot is op het menselijk tekort. Dat eenzaamheid onvermijdelijk blijft, maar eerlijker is dan trouw.

Het zij zo.

Het is gedaan.

Over en uit.

L.H. Wiener Eindelijk volstrekt alleen, 156-157.