In de Poëziekrant jrg. 33 nr. 3 stonden twee besprekingen van bundels die ik al kende en een bespreking van een boekwerk waarin ik al gebladerd en gelezen had: Lies van Gasse Hetzelfde gedicht steeds weer, Sylvie Marie Zonder en Na de dood stond ik midden in het leven. Kopstukken uit de naoorlogse Poolse poëzie. De eerste bundels had ik met plezier gelezen, maar ik was niet vreselijk onder de indruk. De naoorlogse Poolse poëzie is indrukwekkend en ik heb me voorgenomen dat boek eens wat meer aandacht te gaan geven. Overigens vind ik het soms heel plezierig om besprekingen achteraf te lezen, omdat ik dan al een eigen indruk heb van het boek en niet door de bespreking al een richting ben opgeduwd. Ik stopte de bundel van Lies van Gasse weer in mijn werktas, maar ik kwam er niet aan toe.

De Poëziekrant heeft als vaste rubriek De werkkamer en ditmaal mochten we meekijken in de werkkamer van Dirk van Bastelaere. Wat is het toch dat we zo graag zien waar schrijvers (en andere kunstenaars) werken? Hopen we zo achter het geheim van de smid te komen? Zijn we geïntrigeerd door boekenkasten, even kijken wat hij of zij op de planken heeft staan? Of zegt het atelier iets over de kunstenaar en zijn werk? Is het een romantisch overblijfsel in onze bewondering voor kunstenaars?

Van de bibliotheek had ik Bergsons Inleiding tot de metafysica geleend, om na het boek van Hermsen eens te proeven van Bergson. Meer werd het ook niet. Na een adequate inleiding van Jan Bor, heb ik geprobeerd grip te krijgen op Bergsons durée, maar ik kon mijn gedachten er niet bij houden. Een collega wilde graag een boek van een leerling van Bergson met mij lezen, Beleving van de tijd van Vladimir Jankelevitch, maar ik zie daar voorlopig van af. Filosofische beschouwingen over de tijd zijn interessant, herkenbaar, maar ik kan me momenteel maar matig concentreren om alle finesses van al dat denken te doorzien.

Dus koos ik in de tweede helft van de week voor een makkelijker boek. Ik kreeg het op mijn verjaardag en ik had er al een paar hoofdstukken in gelezen: De reis van de Beagle van Charles Darwin. Een prachtig geïllustreerd boek. Aanvankelijk was ik van plan om het op te lezen met de serie op de Nederlandse en Belgische televisie, maar dat heb ik nu los gelaten. Het is een boeiend boek, want naast het verslag van Darwins wetenschappelijke werk krijgt men ook een beeld van de menselijke kant van Darwin. Hij gruwelt van de slavernij in Zuid-Amerika en is zeer begaan met de mensen. De distantie die Darwin kan opbrengen voor de hardheid van de natuur, de wetenschappelijk blik waarmee hij naar de geologische samenstelling van gesteenten kijkt en de biologische eigenaardigheden van de flora en de fauna, zo persoonlijk is hij als het om medemensen gaat. Daarnaast krijg je een intrigerend beeld van de moeilijkheden die zo'n enorme expeditie met zich meebrengt. Het leest als een groot avontuur en soms moest ik wel eens denken aan de boeken van Jules Verne die ik als tiener verslonden heb.

Bij de meisjes die bij diezelfde schermutselingen gevangengenomen waren, bevonden zich twee heel knappe Spaanse meisjes, die op jeugdige leeftijd door de indianen waren ontvoerd en nu alleen nog de indianentaal konden spreken. Volgens hen waren ze afkomstig uit Salta, hemelsbreed een afstand van bijna vijftienhonderd kilometer. Dat geeft een idee van het enorme gebied waarin de inidanen rondtrekken; maar ondanks die omvang geloof ik dat er over nogmaals een halve eeuw ten noorden van de Rio Negro niet één wilde indiaan meer gevonden zal worden. De oorlog is te bloedig om lang te kunnen duren; de christenen doden elke indiaan, en de indianen doen hetzelfde met de christenen. Het is treurig te zien hoe de indianen hebben moeten wijken voor de Spaansse indringers. Schirdel zegt dat er in 1535, toen Buenos Aires gesticht werd, dorpen met twee- of drieduizend inwoners waren. Zelfs in de tijd van Falconer (1750) ondernamen de indianen invallen tot in Luján, Areco en Arrecife, maar nu zijn ze verdreven tot over de Salado. Niet alleen zijn hele stammen uitegeroeid, de overblijvende indianen zijn minder beschaafd geworden: ze wonen niet meer in grote dorpen, waar ze zich bezighouden met visvangst en jacht, maar zwerven nu over de open vlakten, zonder woning of vaste bezigheden. (blz. 146)

(...)

Santa Fe is een rustig plaatsje, netjes en goed onderhouden. López, de gouverneur, was ten tijde van de revolutie gemeen soldaat geweest, maar bekleedt zijn ambt nu al zeventien jaar. Dat langdurig bewind moet toegeschreven worden aan zijn tirannieke gewoonten, want tirannie lijkt voor deze landen voorlopig beter geschikt dan republikanisme. De dierbaarste bezigheid van de gouverneur is de jacht op indianen: kortgeleden heeft hij er achtenveertig afgeslacht, en hun kinderen verkocht voor drie of vier pond per stuk. (blz. 161)

Charles Darwin De reis van de Beagle
Amsterdam 2009