Pascal stelde in 1000 een aantal vragen: Heb ik vragen die ik je zou willen stellen? Hoe je schrijft, of je teksten laat rusten, of je ze herwerkt, of je vaak in laatste instantie jezelf censureert, in hoeverre je private kwesties toelaat? Ja, die veeleer praktische zaken zijn interessant. Of je niet eens droomt van een groter werk, iets op papier, ja een echt Boek? Daarop antwoord je zelf in je notitie 992. Ik zou willen weten hoe je je leesprogramma, dat je ons sinds enige tijd laat inkijken, opmaakt. En of je vaak reacties krijgt en wat je ermee doet. En of je zelf vaak andere blogs leest. Ik ga proberen antwoorden bij deze vragen te geven.

Het is wonderlijk hoe dat werkt. Waarom schrijf iemand wat hij schrijft en waarom op die wijze? Doorgaans zeg ik: de stukjes voor mijn website dienen zich aan. Daarmee wil ik niet beweren dat het een passief proces is, ik ga niet met de handen over elkaar zitten wachten. Het is eerder: met open zinnen door het leven gaan, al of niet bewust indrukken verzamelen, die dan later een plek krijgen. Maar wat er dan precies gebeurt in mijn hersenen, dat weet ik niet. Zoals je voor het pakken van een beker om het aan je mond te zetten niet bewust opdracht geeft voor elke handeling die je lichaam uitvoert, zo verloopt het schrijfproces evenmin gecontroleerd. Soms begin ik aan een tekst omdat ik een idee heb en soms heb ik het allemaal al in mijn hoofd zitten. Tijdens het schrijven komen er allerlei associaties en verbanden boven drijven, die zich dan met je tekst gaan bemoeien. Vaak is het een doodlopende weg, soms een aardige aanvulling. De tekst gaat met me aan de haal en eindigt daar waar ik in het begin geen vermoeden van had. Schrijven is ordenen, zeggen ze wel eens, en het lijkt wel alsof er stapels materiaal in mijn hoofd zit dat zichzelf ordent als ik ga schrijven. Onderweg kom ik dan van alles tegen dat nuttig blijkt te zijn en dat krijgt dan en passant zijn plek. Dat maakt schrijven spannend, ik weet van tevoren nooit wat zich aandient.

Voorbeeld. Ik fiets op een donderdagavond naar de bibliotheek in Utrecht met onder andere de intentie om een boek van Bergson te lenen. Ik herinner mij tijdens het fietsen dat ik ooit eens een tekst had geschreven over de route in omgekeerde richting (zie 914). Het is al donker en deze binnendoorweg kent geen straatverlichting. Als ik het laatste bos passeer, valt mij het licht op van universiteitscentrum De Uithof en ik zie dat het weerspiegeld wordt in het regenwater dat op de weilanden ligt. Op een gegeven moment moet ik gedacht hebben dat ik hier een mooi stukje over zou kunnen schrijven.

De volgende dag begin ik eraan te schrijven en tijdens het schrijven denk ik aan een fragment in een boek van Joke Hermsen waar ze schrijft dat voor de Grieken de toekomst niet voor hen ligt, maar achter hen. Ondertussen had ik het idee opgevat om via google maps een link te leggen naar een kaart van het gebied waar ik doorheen fietste. Op de kaart zag ik de loop van de Kromme Rijn en hoe deze op een gegeven moment weer parallel aan het fietspad loopt. Ja, hoe dat dan werkt in je hoofd, dat weet ik niet, maar dat fragment van Hermsen gaat dan een verbinding aan met dat beeld van een riviertje dat zich weer voegt bij een fietspad en plotseling heb ik een wending in mijn stuk die ik niet gepland had. Noem het inspiratie, noem het genade, ik weet het niet, het blijft voor mij een mysterie.

Is het stukje dan af? Zeker niet, al moet ik er meteen aan toevoegen dat er tijden zijn geweest dat ik het dan ogenblikkelijk op mijn website plaatste. Dat is in de loop der tijden wel verandert. Ik laat een tekst nu minimaal een dag gisten (behalve als ik heel zeker ben van een tekst). Een dag later vallen mij dan eigenschappen van de tekst op die ik eerder tijdens het schrijven niet had opgemerkt. Onnodige woorden, storende woordherhalingen, zinnen die niet lopen, formuleringen die mooier kunnen, interpunctie enzovoort. Daarnaast schrap ik nog wel eens onnodige informatie uit een tekst. Om bij het voorbeeld te blijven, moet ik wel vertellen dat ik naar de bibliotheek ging om een boek van Bergson te lenen? Moet ik wel vermelden dat ik Hermsen parafraseer? Ik haal het eruit en merk meteen dat de tekst van karakter verandert: van een eenvoudig verhaal (ik ga naar de stad om ...) naar een verhaal dat loskomt van de oorspronkelijke anecdotische gebeurtenis. Door informatie achter te houden, wordt een tekst spannender, zo is mijn indruk en een manier om dat te doen is onnodige uitleg weg te halen (doet het er nu werkelijk toe waarom ik daar fietste?) Bovendien geef je de lezer ruimte om zelf in te vullen. Het resultaat is kan men onder 997 lezen.

Met private kwesties gaat het net zo. Er is een tijd geweest dat ik wel eens wat schreef over mijn dagelijkse leven, een scene uit het gezinsleven. Meestal iets onschuldigs. Tegenwoordig verdwijnt het in het wit van de tekst, ik benoem het niet meer concreet (al zit ik er soms heel dichtbij). Nogmaals bij het voorbeeld: ja, het gaat me privé de laatste tijd niet erg goed, de weg die ik ga is vaak duister, er zijn veel hobbels op de weg, mijn geschiedenis haalt me in en het licht wat er schijnt is nogal eens kunstmatig. Ik laat het aan de lezer over of hij dat eruit haalt en wellicht verbindt met andere teksten op mijn website. Wie werkelijk wil weten wat er aan de hand is, kan me altijd nog schrijven. Dat ik privékwesties niet direct benoem is niet alleen een esthetische keuze, maar vooral respect voor de privacy van betrokkenen. Maar ondanks deze werkwijze (of misschien wel dankzij), staan mijn teksten zeer dicht bij mijn leven.

Noem het een vorm van censuur, alhoewel niet in zuivere zin. Ik vind dat ik overal over mag schrijven, die vrijheid heb ik, maar ik hoef niet overal over te schrijven. Ik leg mezelf beperkingen op, die weliswaar niet absoluut zijn, maar waar ik me doorgaans wel aan houd. Ik schrijf niet (meer) over de politieke waan van de dag. Ik schrijf niet met louter als doel te kankeren, te zeuren of te mopperen over alledaagse incidenten (kankeren over de dominantie van sport en glamour in de media). Ik schrijf niet over weblogs van anderen, behalve als ik wat lovenswaardig te melden heb. Ik schrijf niet over zaken waar ik eigenlijk geen waarde aan hecht (waarom zou ik over voetballen schrijven, als het me niet interesseert). Beter: mijn teksten moeten iets bezitten wat ik van waarde vind. Als ik daarvoor mijn beperkingen moet opheffen, dan doe ik dat, maar dan is het altijd omdat ik het nodig heb voor het grotere verhaal. Maar nooit: meedoen met de emotie- en egocultuur, altijd proberen de grenzen van wat betamelijk is in de gaten houden.

Er zijn veel teksten op mijn website die ik nu te slecht of te banaal vind. Ik laat ze staan, ze horen bij de geschiedenis van deze website. Er zijn stukken bij waarover ik me verbaas dat ik ze ooit geschreven heb, maar dat komt door de afstand in de tijd. Er is één tekst waarvan ik achteraf echt spijt heb gehad, een tekst waar ik mijn eigen beperkingen nodeloos uit het oog verloor en waarmee ik mensen gekwetst heb. Het was een inschattingsfout, verklaarbaar uit de emoties die in die tijd speelden (het betreft 344 (en 345)).

Nee, ik droom niet van een groter werk. Ik vind mijn schrijven niet goed genoeg en mij ontbreekt het heilig vuur. Toch zit er een verhaal in mijn hoofd waaraan stilzwijgend gewerkt wordt. Dat ik onlangs wat eerste zinnen schreef, zou kunnen betekenen dat ik wellicht toch met een Boek bezig ben. Misschien, maar dan zou het me overkomen. Ik ruim er geen tijd voor in, ik voel geen noodzaak om eraan te werken, ik mis het schrijven aan een Boek ook niet. Als het verhaal in mijn hoofd toch op papier komt, dan is het ondanks mijzelf. En dan nog, stel dat ik ooit een manuscript zou hebben, dan zou ik het nog niet laten beoordelen door mensen die daar vaardigheid in hebben. Ik zou te zeer vrezen voor hun oordeel!

Op de andere vragen ga ik een volgende keer in.