jwl

1042

Wanneer ik op een avond laat de zolder opga, zie ik hem weer zitten. Hij zit achter zijn bureau en kijkt mij treurig aan. De laptop toont het noorderlicht, op de leesplank ligt een lijvig boek. Uit de pen in zijn hand en het opengeslagen dagboekje op het bureau maak ik op dat hij aan het schrijven is.

We kijken elkaar lang en stil aan. Wat moet ik toch met hem? Hoe haal ik de ruis en de somberheid uit zijn hoofd, zodat hij weer echt kan schrijven? Vergeet mij, zegt hij, berg mij op in een verhuisdoos ergens in de virtuele wereld!

Ik mijmer. Het zou me wel rust geven, maar ondanks zijn verontrustende aanwezigheid, ben ik wel gesteld op hem. Nee, zeg ik, nee, ik kan nog niet zonder jou in deze koude tijden. Laat eens zien wat je geschreven hebt. Ik buig over hem heen, even raken we elkaar, en lees: jwl wenst al zijn lezers een gelukkig nieuw jaar toe! Dat is mooi, zeg ik, mooi. Schrijven is altijd weer ergens opnieuw beginnen.

Dan sluit ik de laptop en het dagboekje, doe het licht uit en ga naar bed. Buiten knalt het vuurwerk.

31 december 2010

1041

Het boek staat op de lessenaar van de piano. J.S. Bach / Die Kunst der Fuge / Cembalo (Klavier) / URTEXT / G. Henle Verlag. Ik kreeg het ooit van vrienden voor mijn vijfentwintigste verjaardag. Het staat nog op de titelpagina geschreven: Zeist, za. 17 okt. 1992 van ... en dan volgen de namen van de gevers.

Ik blader door naar het eerste stuk, Contrapunctus 1. Ik heb dit eerste deel al zo vaak gestudeerd en gespeeld. Met potlood staan de inzetten van het thema in de verschillende stemmen aangegeven. Natuurlijk, Die Kunst der Fuge staat bekend om zijn structuur, complex en tegelijkertijd helder, en met enige moeite kan ik de opbouw ontrafelen. Bij een dergelijke analyse krijg ik inzicht in de zinnen van de muziek, de interpunctie, de ademhaling, de climax of de anticlimax enzovoort enzovoort. Als ik deze structuur dan enigszins helder voor ogen heb, dan gooi ik het allemaal overboord en dan ga ik muziek maken, een verhaal vertellen. – Een dergelijke analyse is overigens geen voorwaarde om muziek te maken, het is geen doel op zich, maar ik denk dat het wel zinvol kan zijn om het verhaal beter en spannender te vertellen.

Zoveel musici, zoveel interpretaties en het kan zelfs zo zijn dat een musicus elke keer een andere interpretatie speelt. Een uitvoering van een muziekstuk is nooit tweemaal dezelfde. De noten blijven hetzelfde, maar elke uitvoering is verschillend. Zoals bij het schaken de beginstelling altijd dezelfde is, maar uiteindelijk zal het spel anders verlopen dan alle voorgaande partijen. Elke uitvoering van een muziekstuk is een interpretatie. Het idee dat je de muziek zou moeten spelen zoals 'de componist het bedoeld heeft' is een interessant streven, maar uiteindelijk praktisch onmogelijk. Het is een illusie te denken dat er ergens een enige juiste uitvoering van een muziekstuk verborgen is en dat een musicus achter die uitvoering dient te komen.

Soms denk ik wel eens dat het met de wereld, de werkelijkheid, net zo gesteld is. We kunnen deze fenomenale wereld alleen maar interpreteren. Wetenschap kan proberen de wereld te structureren, wetmatigheden proberen te ontdekken, zoals we een muziekstuk kunnen lezen en analyseren. Daarmee is de wereld nog niet tot leven gebracht, we moeten er nog muziek van maken. De vraag is echter wat we interpreteren en onderzoeken en wie dat eigenlijk doet. Want zijn we voor onszelf niet net zo ongrijpbaar als de zintuigelijke werkelijkheid? In hoeverre is het beeld dat we van onszelf hebben niet ook slechts interpretatie? Vele bevolkingsgroepen menen te weten wie de componist van de wereld is en menen te weten wat de componist exact bedoeld heeft met zijn schepping. Zij proberen daarnaar te leven. Maar over welke compositie hebben zij het dan? Waar bij Bach het boek en de noten steeds dezelfde blijven, daar is de werkelijkheid een voortdurend stromen en wat gisteren waar was, is morgen een leugen. Het is onzinnig om in termen van waarheid te spreken over iets wat niet grijpbaar is. De enige zin die het zou kunnen hebben is, vermoed ik, een psychologische. Wat rest is muziek maken zonder noten.

(...) er bestaat maar één wereld, en die is onecht, wreed, tegenstrijdig, verleidelijk, zonder zin... En een wereld die er zo uitziet is de ware wereld... Wij hebben de leugen nodig om over deze realiteit, deze 'waarheid' te zegevieren, dat wil zeggen om te leven... Dat de leugen nodig is om te leven, hoort zelf nog bij dit vreselijke en twijfelachtige karakter van het bestaan...

(...)

(...) de mens [moet] al van nature een leugenaar zijn, hij moet vóór alles kunstenaar zijn... En dat is hij ook: metafysica, moraal, religie, wetenschap – allemaal slechts uitwassen van zijn wil tot kunst, tot leugen, tot vlucht voor de 'waarheid', tot ontkenning van de 'waarheid'. Dit vermogen zelf, dankzij welk hij de realiteit door de leugen geweld aandoet, dit kunstenaarsvermogen par excellence van de mens – dat heeft hij ook nog eens met alles wat is gemeen: hij is zelf immers een stuk werkelijkheid, waarheid, natuur – hij is zelf ook een stuk genie van de leugen...

Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten dl. 7, 162

10 december 2010

1040

Ode aan de arbeid van Alain de Botton is papiergeworden verwondering, de verwondering waarvan kenners zeggen dat ze aan de basis van de filosofie ligt. De blik waarmee De Botton naar de arbeidende mens kijkt werkt zeer aanstekelijk. De lichte en elegante stijl van De Botton doet glimlachen en is scherp. Nergens lijkt De Botton te willen oordelen, alsof hij het wil laten bij de verwondering over het absurde van het menselijke gedrag. Toch proeft de goede lezer een oordeel. Zo zal het wel geen toeval zijn dat het laatste hoofdstuk over een kerkhof van afgeschreven en gedemonteerde vliegtuigen gaat.

Wat bijzonder is aan het vooruitzicht van de dood in ons moderne tijdperk is de aanhoudende technologische en sociologische revolutie die op de achtergrond speelt en ons alle vertrouwen in de bestendigheid van onze inspanningen ontneemt. Onze voorouders konden nog geloven in de mogelijkheid dat hun prestaties de tand des tijds zouden doorstaan. Wij weten dat tijd een orkaan is. Onze gebouwen, onze stijlopvattingen, onze ideeën zullen zonder uitzondering, weldra anachronismen zijn, en de machines waar we nu zo'n buitensporige trots aan ontlenen, zullen ons dan net zo sneu voorkomen als Yoricks schedel.

Alain de Botton Ode aan de arbeid, 343

10 november 2010

1039

Het besef dat ik niet alle boeken in mijn leven zou kunnen lezen die ik zou willen lezen, leidt tot het inzicht dat de duivel wel moet bestaan.

28 oktober 2010

1038

We verzamelden ons in de kantine. We wisten al wat er komen zou, een en ander was op intranet en per e-mail al bekend gemaakt. Daarom vond ik het zeer amusant om te zien hoe mijn collega's met uitgestreken gezichten het nieuws in ontvangst namen, begrijpend ernstig keken als er gesproken werd van een 'persoonlijk drama' voor die hogere manager die nu 'vrijgesteld werd van zijn taken', terwijl ik wist dat er ondertussen bij bijna iedereen inwendig de champagneflessen ontkurkt werden. De interim stond al klaar en sprak over de menselijke kant van zijn vak. Grinnikend verliet ik de kantine.

26 oktober 2010

1037

De ingang van De Witte Ruiter is op een hoek en loopt ietwat gebogen. Er staat een man met een telefoon aan zijn oor. Schijnbaar krijgt hij geen verbinding, want hij kijkt verbaasd en geërgerd naar het toestel, alsof hij antwoord verwacht van het apparaat zelf. De telefoon verdwijnt in de jaszak en de man gaat het café in. Achterop zijn jas staat Beer Temple. Nog geen tien seconden later staat hij weer buiten, lachend, telefoon aan zijn oor. Is er teruggebeld? Wie heeft hij aan de telefoon? Waarom kon hij het gesprek niet binnen voeren? De tram rijdt verder.

20 oktober 2010

1036

Geboren in oktober ben ik een man van de herfst. Het seizoen van de inkeer en van de oogst. Herfstrood is mijn favoriete kleur, de kleur van de bladeren aan de bomen, bladeren, die straks losgelaten zullen worden, evenals de eikels en de kastanjes. Overtollige ballast valt naar de aarde en moet na de winter voor nieuwe vruchtbaarheid zorgen. Wat rest is het geraamte van de boom die storm en regen moet doorstaan.

Ik wil de storm doorstaan, ik ben een herfstmens. Mijn wortels grijpen hardnekkig in de grond, mijn takken zwaaien wanhopig in de lucht.

We houden elkaars hand niet vast, maar we lopen weer naast elkaar. Voorlopig? Vooralsnog? Wat ons samenbindt, rent voor ons uit, de kinderen die zo nu en dan stoppen om een eikel of een kastanje op te rapen en naar ons toe te brengen. Ik geniet van de herfst, zij verlangt naar het voorjaar. Op de witte brug gooien de kinderen lachend de kastanjes in het water. Een enkele kastanje blijft drijven en wordt door de eeuwig stromende Kromme Rijn meegenomen.

16 oktober 2010

1035

1

Al wou ik het leven bezingen
dat uit de hand gelopen is
nergens anders

dan in 't hiernamaals
is te vinden –

Al hou ik gevoelens achter
als voedsel voor een galgenmaal
op te biechten bij beetjes en brokken

als het restant
van iemands betere ik –

Toch zal de stilte zwaarder wegen,
even onpeilbaar als zijn schaduw
in het zwarte bloed van de zon.

Lucienne Stassaert Keerpunt, 5

4 oktober 2010

1034

Ik doe de televisie uit, ruim de dvd op en ga nog even roken in de carport. Het heeft geregend, de bomen druppelen nog na. Het is de stil in de wijk. Licht achter gordijnen verraadt, dat er meer mensen het bed nog niet hebben opgezocht. De geparkeerde auto's zwijgen in het donker, ook zij lijken bij te komen van een drukke dag. Een lantaarn schijnt onder het bladerdak van een boom.

De beelden van de film werken nog na in mijn hoofd. Het lijkt wel of de wereld zich aan deze beelden aanpast. De films van Bela Tarr zijn momenteel eigenlijk te somber voor mij. Films in grijstinten, in desolate landschappen en steden, waar het eeuwig lijkt te regenen, waar de accordeon in het café altijd dezelfde melancholieke muziek speelt. Tot aan het einde der tijden. Het universum van Schopenhauer in beelden gevat?

Maar het zijn niet alleen de beelden die ik zo prachtig vind. Het is de wijze waarop de beelden gevangen zijn door de camera. Oneindig durende shots van een traag bewegende camera, zo traag soms, dat de camera de acteurs lijkt kwijt te raken. Een camera die achter de feiten aanloopt, die zich niet laat haasten, die rustig het getekende leven registreert. Zo komt de wereld van de gebouwen en de voorwerpen tot leven, alsof zij net zo goed een rol hebben in de film. Zo kijken we naar een muur waarop het vocht van de regen zich verspreid. Naast de uitzichtloze levens van de mensen toont zich de zwijgende wereld. Het doet bij mij een gevoel van sereniteit en melancholie ontstaan.

Transcendentie? Metafysica? Speelgoed voor volwassenen om te fantaseren en orde te scheppen in een chaotische wereld. Het leven kan mooi en geweldig zijn, maar uiteindelijk is het tragisch. Deze tragiek vind ik terug in de films van Tarr. Maar Tarr dramatiseert niet, hij registreert met een scherpe en milde blik. Niks Schoonheid, niks Transcendentie, Tarr neemt ons bij de hand en toont ons hoe we ook kunnen kijken. Kijk dan, zo is het leven dat ik aantref, het is niet mooi, het is niet diep, het is zoals het is. Het speelkwartier is voorbij: kijk, voel, proef, luister, ruik aan het leven.

Ik poets mijn tanden, doe de gordijnen dicht en het licht uit. Wanneer ik de trap opga naar zolder, stel ik de vraag van Nietzsche die ik mezelf zo vaak stel: hoeveel werkelijkheid kan een mens aan? Hoe diep kan een mens in de afgrond kijken zonder te vallen? Inderdaad 'Geloof is nodig', maar niet zozeer om zin te geven aan ons bestaan, maar om er niet ten gronde aan te gaan. 'Geloof' is geen keuze, het is een noodzaak, overleving, een primaire levensbehoefte. Met deze gedachten ga ik in bed liggen en kijk nog eens de kamer rond. Het zwijgen van de voorwerpen in het duistere licht. De afwezigheid van een werkelijkheid achter de werkelijkheid is geruststellend. Ik 'geloof' in die stilte, de stilte die je soms pas opvalt als je de televisie uitschakelt. Gute Nacht, du Weltgetümmel.

23 september 2010

1033

Dit begint met een lijn.
Eenvoudiger kan het niet
hij scheidt wat je nog niet hoort
in wat straks van je oor
het gebied van ontroeringen
binnen mag, en wat niet
in dat domein behoort.

Nu heerst nog de daverende stilte van
wat de Zweedse dichter Lars Gustafsson
noemt de wereld voor Bach: toen alle daken
van de stad schoorstenen boomtoppen torens
nog zo vreselijk onwetend waren
maar toch al wachtten op het neerdalen
van de allereerste akkoorden
van wat nooit meer onthoord zou raken.

Willem van Toorn De hofreis, 29

18 september 2010

1032

Zeker, elke daad heeft zijn beweegredenen, zoals hij een doel en een principe kent; maar hoewel de handeling zijn doel verkondigt en zijn uitgangspunten openbaar maakt, onthult ze niet de diepste beweegredenen van de handelende persoon. Die beweegredenen blijven duister; ze komen niet aan het licht maar zijn verborgen, niet alleen voor anderen maar voor het grootste deel van de tijd ook voor de handelende persoon en zijn zelfonderzoek. De zoektocht naar beweegredenen, de eis dat iedereen zijn diepste beweegredenen in het openbaar etaleert, verandert dan ook alle handelende personen in hypocrieten, omdat het onmogelijke wordt verlangd; op het moment dat het etaleren van de beweegredenen begint, begint de hypocrisie alle menselijke verhoudingen te vergiftigen. De poging om het duistere en verborgene het volle daglicht in te slepen kan bovendien alleen maar eindigen in een openlijke en schaamteloze manifestatie van handelingen die instinctief de bescherming van het duister opzoeken; het ligt helaas in het wezen van dit soort aangelegenheden besloten dat elke poging om goedheid publiekelijk aan het licht te brengen erin resulteert dat misdaad en misdadigheid het politieke toneel betreden. Meer dan elders ontbreekt in de politiek de mogelijkheid om tussen schijn en wezen te onderscheiden. In het domein van menselijke aangelegenheden zijn schijn en wezen dan ook identiek.

Hannah Arendt Over revolutie, 122-123

13 september 2010

1031

Het schelpenpad ontrolt zich voor mijn voeten. De witte lijn voert me in de nacht door een bos dat verfrist nadruppelt van de regen. In de verte zie ik een knipperende lantaarnpaal onder het bladerdak van een boom. Als ik dichterbij kom, doemen in het schijnsel van het licht de contouren op van twee schaduwen. Een man en een vrouw zitten naast elkaar. Ik volg mezelf, het geknars van de schelpen wordt steeds luider, de schaduwen kijken verschrikt op. Ze rennen weg, ieder een kant op. Ik kijk naar de stoelen die achterblijven: er zitten scheuren in de zittingen. De ene is afgeplakt met tape, op de andere ligt een appel waar al een hap uit genomen is. Een worm probeert te ontsnappen.

We gaan zitten en kijken naar het pad dat we achter ons hebben gelaten. Na een kort zoemend geluid knapt het licht van de lantaarn uit. Het is nu aardedonker. We luisteren naar de onmetelijke stilte terwijl het vocht van de bomen op de dode bladeren blijft druppelen. Het bos lijkt te huilen om de verloren onschuld. Het is prachtig. Het is subliem. Het is droef.

Als ik na lange tijd omhoog kijk, zie ik de maan tussen de wolken verschijnen én, o wonder, een vallende ster. Doe een wens en vertel het aan niemand, klinkt het achter mij. Geschrokken spring ik op en zie nu pas het meertje achter de boom en de lantaarn, verscholen in de mist. Nee, geen mist, het water dampt en tussen de flarden stoom ontwaar ik het absurde beeld van mensen die ronddobberen op zwembanden. Twee spelen schaak op een drijvend bord, twee kijken toe. Verderop begint een vrouw te declameren uit een boek – then on the shore of the wide world I stand alone! – en de man die mij aansprak, lacht mij vanachter zijn duikbril toe. Doe een wens, zegt hij nogmaals en vertel het aan niemand. Ik ben sprakeloos, ik weet niet wat ik zie, ik weet niet wat ik moet zeggen. Zo sta ik daar te staan, minutenlang, terwijl zij daar maar schaak spelen, Keats declameren en de duikbril me aanstaart.

Het surrealisme wordt ineens doorbroken door het geluid van iemand die het water instapt. (Ik ben het zelf!) In de ene hand houdt hij een kaars vast en met de andere probeert hij de vlam te beschermen. Hij waadt met het water tot aan zijn middel naar de overkant, de tijd duurt eindeloos. Dan zet hij de nog brandende kaars op de oever. Iedereen begint te applaudisseren. De vlam dooft.

De mensen in het water zijn verdwenen, alleen de schaakstukken drijven nog verloren rond. Het licht van de lantaarn springt weer aan. Een elektricien klimt naar beneden, tilt de trap op zijn schouder en met een prettige nacht verder verdwijnt hij over het schelpenpad het donker in. Ik zie hoe de bladeren van de boom vanonder beschenen worden door het nieuwe heldere licht. Er steekt een frisse wind op en op de terugweg denk ik nog: het is een perenboom.

30 augustus 2010

1030

Hoe lang zou ik het nog volhouden om daar te staan op dat koord tussen twee torens? Ik wil nog niet naar de overkant en als ik omkijk, zie ik het deurtje waardoor ik gekomen ben, het zit potdicht. Ik verbaas mezelf over de kracht die ik schijnbaar heb om zo lang het evenwicht te bewaren en niet naar beneden te storten. Ik houd de balans stevig vast, maar de stok wordt elke dag zwaarder. Soms kijk ik naar de hemel en hoop op hulp, maar ik zie louter een hemel met sterren. Who can turn skies back and begin again?, hoor ik Peter Grimes in mijn hoofd zingen. Who can turn skies back and begin again?

Stilte. De zon komt op en ik verwacht de mensen die hier elke dag komen op de markt beneden mij. Vrienden die mij zullen toeroepen dat ik door moet lopen naar die andere toren. En al die onbekenden die me hoofdschuddend uitlachen, maar verder onverstoorbaar overgaan tot de orde van de dag. Collega's die me er vriendelijk op wijzen dat er zoveel werk op me ligt te wachten. Ik zoek mijn kinderen en hun moeder, maar ik zie ze niet. Ik vraag aan mijn vrienden of ze weten waar ze zijn en ze antwoorden dat ze waarschijnlijk op de camping zitten.

Ik word er gek van, ik val bijna, ik wil bijna vallen, maar ik weet net mijn evenwicht te bewaren door een paar stappen vooruit te doen. Zo nader ik langzaam maar zeker, tegen mijn wil, toch de andere kant.

Op een ochtend ging achter mij het deurtje open. Een lange man met zwart haar, gekleed in een toga, geschminkt als een clown, kwam te voorschijn. 'Zou je nou niet eens opschieten,' beet hij me toe met een ijselijke stem, 'dit duurt toch werkelijk veel te lang! Moet ik je soms even helpen? Moet ik je een duwtje geven of kietelen?' Ik herkende hem, het was de duivel zelf. Hij kwam luid krijsend op me af rennen over het touw, sprong over me heen en verdween aan de andere kant in de toren. Ik verloor mijn evenwicht.

Ik zag mezelf liggen daar beneden. Ik keek en zag hoe ik mijn ogen opende. 'Wat doe jij hier,' vroeg ik mezelf, 'je wist toch allang dat de duivel je eens een beentje zou lichten? Pas maar op dat hij je niet naar de hel sleept!' Ik antwoordde, dat er geen duivel en geen hel is, net zo min als er een god en een hemel is en dat mijn ziel nog eerder zou sterven dan mijn lichaam. Wat verlies ik als ik het leven verlies?

Ik dacht aan mijn kinderen, nadat een deel van mij daar beneden gestorven was. Het werd avond. Het werd nacht. Ergens in de verte zag ik een bliksem oplichten, maar de donder kon ik niet horen. De torens waren weer gesloten, het is nog te vroeg om de overkant te bereiken. Naargeestig is het menselijk bestaan en nog altijd zonder zin: een clown kan het noodlottig worden. Hoe lang zou ik het nog volhouden, daar tussen die twee torens?

(vrij naar Friedrich Nietzsche, Zarathoestra's Voorrede 6 en 7)

14 augustus 2010

1029

De trein rijdt door het landschap van mijn jeugd. In de verte zie ik de weg waarlangs ik vroeger naar de middelbare school fietste. Ik zie oude decorstukken uit een al lang afgelopen toneelstuk en ik verbaas me erover dat ze er nog staan. Het is niet alleen de afstand in de tijd, maar ook de afstand tot de plekken waar ik toen mijn weg ging, dat me een vervreemdend gevoel geeft. In het zonovergoten landschap herken ik de kerken op de terpen, de boerderijen en het vee op het land, de dorpjes. Daar, op een afstand van vier of vijf kilometer, zie ik de kerktoren van het dorp waar ik mijn kindertijd en mijn jeugd doorbracht.

Het is de horizon waar ik naar terugverlang. Ik heb gespeeld met de gedachte om weer in Friesland te willen wonen. Hier zou ik de alleenzaamheid, stilte en ruimte makkelijker vinden, maar het is hopeloos er een baan te vinden en ik zou er te ver weg wonen van mijn kinderen. Daarnaast zou ik de mogelijkheden van de Randstad missen en zou ik het ongemak en ergernissen die daarbij horen missen. Friesland zou voor mij geen keuze zijn, maar een vrijwillige gevangenis. Nee, ik ben al te zeer geoefend in het cultiveren van mijn alleenzaamheid om de leegte van het noorden nodig te hebben. Daar zou mijn alleenzaamheid eenzaamheid worden.

De trein nadert het eindstation en ik pak mijn tas om mijn boek op te ruimen. Ik had het de hele tijd op mijn schoot liggen met een vinger tussen de bladzijden. Nu pas realiseer ik me glimlachend hoe toepasselijk de titel op mijn mijmeringen is: Bronnen van het zelf van Charles Taylor.

5 augustus 2010

1028

midden in wit

het gedicht is klaar
als was het altijd
al daar

de lezer kan van
woord naar woord
springen

of rustig lopen
door de regels

tussen de strofen
plaatste ik bankjes

om even met de ogen
op te rusten in eigen,

eigen woorden nooit
is de stad helemaal
voltooid

natuurlijk
overgaan bepaalt
de grens

een laatste steen
een allerlichtste woord

dan stilte: hier
hoeft niets meer te komen

Ilse Starkenburg Gekraakt klooster, 56

30 juli 2010

1027

Twee wegen tekenen zich af voor de toekomst. De ene is die van voortgaan en de nadelen voor lief nemen, afwentelen of proberen te minimaliseren, vertrouwend op ons vernuft. De andere is die van zich rekenschap geven dat men in materieel welvaartsopzicht boven zijn stand leeft en dat er meer is dan materiële zaken en tijdelijke genietingen. De weg dus van zelfbeperking en solidariteit met de ander, met name de derde wereld. Eerstgenoemde weg is voortzetting van de gedachte dat we in staat zijn alle problemen op te lossen en ons welvaartsniveau ook aan anderen deelachtig te maken als we hen helpen zich te ontwikkelen. Maar dat gaat uit van de veronderstelling dat menselijk geluk en het goede leven voornamelijk afhangen van de mate waarin men kan beschikken over goederen en diensten die het leven onderhouden en comfortabel maken. Dat dit een wezenlijk onderdeel is van en voor ons bestaan is evident, maar waar is het einde van die 'onbegrensde' behoeften, en wat zijn die precies en hoe ontstaan ze? Er is alles vóór dat men zich tracht te verbeteren, maar tot hoever en ten koste van wie of wat? Het is ondenkbaar dat de aarde het welvaartsniveau van de westerse mens voor allen kan dragen. Die fictie van de moderniteit is ontmaskerd door de keerzijden ervan. (...) We kunnen niet alles oplossen en we weten te weinig van de lange termijn gevolgen van de oplossingen die we dachten te hebben. Ik zie het als noodzakelijk dat we de tweede weg trachten te ontwikkelen. Een weg die dè oplossing niet biedt, maar uitgaat van de waardigheid van de mens en de verantwoordelijkheid van een ieder voor de ander en voor de geschonken orde. Op die wijze alleen kan een mentale verandering gestalte krijgen die de basis vormt van een ander gedrag in het benutten en het beschikken over datgene wat ons allen toebehoort en aan allen is geschonken. Wat nodig is, is dat we anders gaan denken en vandaar uit anders doen.

Cees Veerman Nostalgie of gelouterd realisme: een reflectieve beschouwing over de moderne landbouw
in: Filosofie 19/6, 46

Verrassende woorden van de oud-minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg en Wageningen waar hij zich onder andere bezighoudt met duurzame plattelandsontwikkeling vanuit Europees perspectief. Jammer dat ik hem tijdens zijn ministerschap nooit op een dergelijke visie heb kunnen betrappen. Grappig om in dit citaat hier en daar de christendemocratische achtergrond te zien bovenkomen in fragmenten als de verantwoordelijkheid van een ieder voor de ander en voor de geschonken orde (geschonken orde?) en het benutten en het beschikken over datgene wat ons allen toebehoort en aan allen is geschonken. Hier proeft men het christelijke rentmeesterschap. Afgezien van deze details, kan ik aardig meegaan met de strekking van zijn betoog, al zou het een verademing zijn wanneer hij zijn politieke schrijfstijl zou afleren.

28 juli 2010

1026

de eeuwige terugkeer (17)

De zomermaanden van 1879 verblijft Nietzsche in Sankt Moritz. Sankt Moritz ligt in het noordoosten van het Engadindal, op ongeveer 2000 meter het hoogst gelegen dal van Zwitseland. Tot aan zijn ineenstorting tien jaar later, zal Nietzsche over dit gebied zeer enthousiast zijn, alsof hij een tweede vaderland gevonden had. Met name het plaatsje Sils Maria, dat ten zuidwesten van Sankt Moritz ligt, voorbij het Silvaplanameer (waar Nietzsche enkele jaren later zijn gedachtenexperiment van 'de eeuwige terugkeer van hetzelfde' zal formuleren), zal later een thuis voor hem worden.

In deze maanden voltooide Nietzsche het manuscript van Der Wanderer und sein Schatten, geschreven met potlood in aantekenboeken van zakformaat die hij steeds meenam op zijn vele wandelingen. Begin juli schrijft hij aan zijn moeder:

Wälder, Seen, die besten Spazierwege, wie sie für mich Fast-Blinden hergerichtet sein müssen und die erquiklichste Luft – die beste in Europa – das macht mir den Ort lieb. Aber krank bin ich so viel wie überall, es geht mir so wie im Herbst in Naumburg, jeden zweiten Tag muß ich zu Bett zu bringen. Doch halte ich es hier besser aus, während ich anderwärts, namentlich in Basel, an der Grenze der Verzweiflung war.

An Genesung ist gar nicht zu denken, es ist sehr viel, wenn ich es erträglicher habe.

Ich wohne still, habe gute Milch und Eier.

KSB 5, 424

De beste lucht van Europa, maar toch voortdurend ziek. Migraines, braken, diarree, het bed moeten houden, familie en vrienden ver weg, beperkte financiële middelen, je vraagt je af hoe hij het volhoudt. Schijnbaar waren er geen medicijnen voor zijn kwaal en het experimenteren met zijn dieet bracht wellicht verlichting, maar geen soelaas. Wat hield Nietzsche op de been? Zeker niet het christelijke geloof van zijn ouderlijk huis. Waar haalt hij zijn optimisme vandaan, het optimisme waar hij in 1886 terugblikkend over schreef (zie de vorige aflevering)?

Nietzsche was filoloog en had zich in zijn universitaire carrière vooral bezig gehouden met de Hellenistische periode, de periode tussen de dood van Alexander de Grote in 323 en de Romeinse bezetting van Griekenland in 146 v.Chr. Het is de tijd van de cynici, de stoïcijnen, de epicureërs en de sceptici. Een centraal begrip in deze scholen was ataraxia dat stond voor onverstoorbare rust, gemoedsrust, sereniteit en de wijsheid om dit te bereiken. Hoe behoud je je gemoedsrust ondanks alles? Voor Nietzsche waren de verschillen tussen de bovengenoemde scholen niet groot, hij zag alleen verschillen in temperament.

In zijn aantekenboeken vinden we passages als De troostmiddelen van het christendom zijn binnenkort een antiquiteit; een olie waarvan de geur is vervlogen. Dan treden de troostmiddelen van de antieke filosofie weer op de voorgrond, in een nieuwe glans – en daar komt ons nieuwe soort troostmiddelen bij, de historische (N IV 1, juli 1879, 41[32]), Ik heb de zalfpotten en medicijnflessen van alle antieke filosofen nodig (N II 6, voorjaar-zomer 1878, 28[41]) en Golven – er op een rustige zomerdag aan de kant van genieten – het tuin-geluk van Epicurus (N II 7 zomer 1878, 30[31]).

Epicurus, een naam die vaker voorkomt en wellicht zou het lezen van Epicurus een licht werpen op De reiziger en zijn schaduw. Is het de filosofie van Epicurus waarmee Nietzsche zijn optimisme 'forceert' in donkere tijden? De filosoof van de lust, het hedonisme (niet in de hedendaagse betekenis overigens) spoorde zijn lezers aan om fysieke pijn en onlustgevoelens naar de achtergrond te drukken door er lustgevoelens tegenover te stellen. Dat kunnen ook simpelweg aangename herinneringen zijn. Het heeft een element van 'pluk de dag', morgen kun je dood zijn. Het is eveneens een aansporing om je eigen geluk in de hand te nemen. Epicurus' optimisme komt voort uit een pessimisme.

Er zijn veel fragmenten in deze tijd bij Nietzsche die aan Epicurus doen denken, zonder dat Nietzsche hem noemt. Soms met enige moeite herkenbaar, maar toch lijkt Epicurus voortdurend op de achtergrond aanwezig. Zoals in de volgende aantekening: Redenen in plaats van gewoontes, oogmerken in plaats van driften, kennis in plaats van geloof, geestelijk-psychische blijmoedigheid in plaats van talrijke losse genietingen, evenwicht van alle bewegingen en plezier in die harmonie in plaats van opwinding en bedwelming – en later alles weer onbewust wordend!! (N IV 1, juli 1879, 41[48]). Daarnaast noemt Niezsche hem soms heel nadrukkelijk zijn held. Het volgende aforisme uit De reiziger en zijn schaduw is in dit verband overduidelijk. Bij het lezen zie ik Nietzsche zitten op de helling van een berg langs een wandelpad, genietend van de beginnende avondkoelte, uitkijkend over het dal met wellicht Sankt Moritz in de nabijheid, potlood en schrift in de hand.

295
Et in Arcadia ego. – Ik zag naar beneden, over heuvelgolven, de kant van een melkgroen meer uit, tussen sparren en waardige oude dennen door: allerlei stukken rots om mij heen, de grond vol kleurige bloemen en grassen. Een kudde bewoog, strekte en rekte zich voor mij uit; afzonderlijke koeien en groepen koeien verder weg, in het scherpe avondlicht, naast het kleine naaldbos; andere dichterbij, donkerder; alles in rust en avondlijke verzadiging. De klok wees tegen half zes. De stier van de kudde was in de witte schuimende beek gestapt en volgde traag weerstrevend en toegevend haar loop, steil naar beneden: daar had hij zeker zo zijn grimmige plezier in. Twee donkerbruine wezens, van Bergamaskische herkomst, waren de herders: het meisje bijna als jongen gekleed. Links rotshellingen en sneeuwvelden boven brede woudgordels, rechts twee reusachtige beijsde pieken, hoog boven mij, zwevend in de sluier van het zonnewaas, – alles groot, stil en helder. De schoonheid van het geheel van haar openbaring; onwillekeurig, alsof het natuurlijkste zaak van de wereld was, zette men in deze zuivere, scherpe wereld van licht (die totaal niets verlangends, verwachtends vooruit- of achteromkijkends had) Griekse heroën neer; men moest wel zo voelen als Poussin en zijn leerling: heroïsch en idyllisch tegelijk. – En zo hebben bepaalde mensen ook geleefd, zo hebben zij zich voortdurend in de wereld, en de wereld in henzelf gevoeld, en onder hen één van de grootste mensen, de uitvinder van een heroïsch-idyllische wijze van filosoferen: Epicurus.

Friedrich Nietzsche Menselijk, al te menselijk, 534-535

4 juli 2010

1025

Hij vergeet haar nooit, zij was zijn grote liefde. Toen ze jong waren verzorgden ze samen een klein plantje.

Een klein plantje? Een bonsai?

Inderdaad, een bonsai. Ze besloten een bonsai te kopen om de immense liefde die ze hadden te symboliseren. Daarna gaat alles naar de verdommenis, maar hij vergeet haar nooit. Hij ging door met zijn leven, kreeg kinderen, scheidde, maar hij vergat haar nooit. Op een dag komt hij erachter dat ze gestorven is. Dan besluit hij een hommage te brengen. Ik weet nog niet waar dat uit bestaat.

Alejandro Zambra Bonsai, 64-65

24 juni 2010

1024

Adriaen Koerbagh stierf in 1669 in het Tucht-Huys, ook wel het Rasphuis genaamd, aan de Heiligeweg te Amsterdam. De poort staat er nog steeds, tegenover de Voetboogstraat, alwaar ik vanuit de rij voor Vleminckx altijd een mooi uitzicht heb op deze poort. Het was deze Koerbagh die me deed lachen door een citaat in Jonathan I. Israels studie Radicale Verlichting. De gebroeders Koerbagh worden hier opgevoerd als voorlopers van de Verlichting die pas in de 18e eeuw echt zal losbarsten. Adriaen moest zich voor de zoveelste keer verantwoorden voor een Amsterdamse kerkeraad in verband met zijn Godslasterlick geschrift, genaamd het Ligt schijnende in Duystere Plaatsen. De redenering waar ik om moest lachen, moest ik wel tweemaal lezen, het is geen hedendaags Nederlands, maar toen ik de flauwiteit ervan doorhad, lag ik dubbel van het lachen. Elke keer dat ik nu een frietje haal in de Voetboogstraat zal ik aan deze grap moeten denken.

Jezus, zo beweert Adriean, was een mens en geen god, 'so dat valsch is datmen leert en segt dat hy voor ons gestorven is, 't is wel waar ten aansien van de tijd dat hy voor ons dat is eerder gestorven is'.

Jonathan I. Israel Radicale Verlichting, 215

21 juni 2010

1023

Ik fietste naar de stad, mijn maag rammelde. Nog voor ik de stad bereikte, kwam ik langs een drive-in van McDonalds. Een lange rij auto's met druk telefonerende, zwaarlijvige heren. Een jonge manager met guitige ogen achter een brilletje overzag tevreden het toneel van zijn personeel dat vooral uit werkstudenten leek te bestaan. De manager schreeuwde voortdurend blijmoedig: goed zo, snelle jongens en meisjes, koop en verkoop, dat is goed voor ons allemaal! Het personeel werkte alsof ze handelden op de beurs. Ik besloot verder te zoeken naar een andere eetgelegenheid.

De buitenwijken van de stad waren verontrustend stil. Achter de ramen van verveelde 'villa's', zaten gapende vijftigers met hun kleinkinderen South Park te kijken. Om een hoek doemde ineens een vervallen oude katholieke kerk op. De spitse toren schaduwde dreigend tegen het grijs van de invallende duisternis. Een lange rij mensen schuifelde gedisciplineerd langs drie uitsmijters naar binnen. Terwijl ik me afvroeg wat daar te doen zou zijn, stopte er naast mij een keurig geklede heer. Hij keek me aan met zijn permanent verbaasde pretoogje. Ik zou daar niet naar binnen gaan, zei hij, ik werk bij de Voedsel en Waren Autoriteit, het eten is daar niet pluis. We hebben de rechter gevraagd het restaurant te sluiten. Is het dan een restaurant, vroeg ik stomverbaasd. Je kunt er eten, antwoordde hij, als je van diepvriesmaaltijden houdt waarvan de houdbaarheidsdatum al ruim zestig jaar verlopen is. Bovendien, de keuken is daar zo smerig, dat er zelfs schimmel in het haar van de chefkok groeit. Ik vroeg hem waar dan wel goede restaurants te vinden waren en hij verwees me naar de andere kant van de stad. Aan de andere kant van het centrum, zei hij, daar zitten de betere restaurants, alleen is het wel een stuk fietsen! Hij sprong op zijn scooter en racete de hoek om. Mijn aandacht werd getrokken door rumoer voor de ingang van de restaurant-kerk Geen Stijl. Een jongeman van Noordafrikaanse afkomst werd de toegang geweigerd. Een uitsmijter wees naar een aanplakbiljet en riep: kun je dan niet lezen, hier staat: voor islamieten verboden!

Om in het centrum te komen, moest ik door een vooroorlogse wijk. Hele straten waren in oranje gehuld en hier en daar zaten buurtbewoners onderuit gezakt, flesjes bier in de hand, buiten gezamenlijk gezellig naar de wederwaardigheden van het Nederlandse voetbaleftal te kijken op de televisie. Ik moest aan de kant voor een kleine carnavalsoptocht. Ze zongen luidkeels de Internationale en deelden tomaten uit aan mensen die even opkeken van het televisiescherm. Ook ik kreeg een tomaat aangeboden. Het was mooi rood, maar smaakte zeer genetisch gemanipuleerd. De honger begon nu echt te knagen.

De binnenstad was opmerkelijk rustig. De kredietcrises had hier duidelijk toegeslagen in de horeca, veel restaurants waren 'wegens omstandigheden' gesloten. De rozenverkopers moesten op zoek naar andere eetgelegenheden en overlegden naast een haperende draaiorgel in welke wijken ze hun rozen nu aan de man zouden brengen. De meesten wilden mijn kant uitgaan, maar anderen dachten dat er meer te verdienen zou zijn in de McDonalds buiten de stad. Ze konden het niet eens worden en het draaiorgel herhaalde opnieuw de Tulpen uit Amsterdam.

Het was niet moeilijk om de restaurantjes te vinden die de heer met de pretoogjes aanbevolen had. Nu pas viel het me op dat het een mooie zomeravond was en uit de openstaande ramen hoorde ik muziek uit alle windstreken. Ik sloeg linksaf en kwam terecht op een klein plein waar verscholen achter het groen van een boom een aantal mensen op een terras geannimeerd zaten te praten en te roken. Het zag er ontspannen uit en ik besloot dat het tijd werd om nu echt wat te gaan eten. Binnen was het niet groot, maar wel gezellig. De inrichting was stijlvol en eenvoudig en aan de muren hing een expositie van een fotograaf uit de wijk. Ik koos een plek aan de leestafel bij het raam en voelde me er ogenblikkelijk thuis. De vriendelijk glimlachende serveester bracht me de menukaart en we maakten een praatje over de moeilijke tijden in de horeca. De serveerster bleek ook de eigenaresse van het restaurant. Ze sprak over kleinschaligheid, kwaliteit en duurzaamheid. Ik vroeg hulp bij mijn keuze en ze adviseerde me een maaltijdsalade (zonder tomaten) met een lekkere Rioja erbij (reserva). Het duurde even voordat de salade klaar was, maar het was het wachten meer dan waard, het was inderdaad heerlijk! Ik besloot nog wat buiten op het terras te genieten van mijn meegebrachte lectuur en bestelde nog meer wijn. Toen ik als laatste klant overbleef, kwam de charmante eigenaresse me gezelschap houden en we spraken tot diep in de nacht. Over het leven en de toekomst. En over het kweken van tomaten.

10 juni 2010

1022

Hij had het niet zien aankomen, anders had hij zijn laatste zet niet gedaan. Al eerder had hij een onnauwkeurige zet uitgevoerd, waarmee hij een zwakte in zijn stelling had aangebracht. Met mijn laatste zet had ik mijn kleine problemen opgelost en mijn tegenstander er een paar gegeven. Hij verzonk in gedachten en ik vermoedde dat hij wel even de tijd zou nemen. Ik wierp een tevreden blik op de schaakstelling en ging naar buiten om een sigaret te roken.

Buiten genoot ik van de avondkoelte en ik liet mijn gedachten gaan. Het was me de afgelopen maanden al eerder opgevallen dat ik juist bij het schaken mijn privéproblemen kon vergeten. Een paar uurtjes geen donkere wolken aan de hemel, maar slechts de concentratie en het spel. Dat is de charme van het schaken: het gaat nergens over en het hoeft nergens over te gaan. Ondanks al het gepeins en gepieker de afgelopen maanden heb ik nog nooit zo'n goed seizoen geschaakt.

Mijn tegenstander had uiteindelijk gekozen voor een voortzetting die de schade minimaliseerde. Maar ik had al verder gekeken, negeerde zijn remise-aanbod en vond eenvoudig een winstweg. Toen hij inzag dat verlies onvermijdelijk was, gaf hij op. Hij begreep niet waar hij het fout gedaan had en ik realiseerde me, dat ik zelden zo subtiel gewonnen had.

3 juni 2010

1021

De beste manier om te ontsnappen aan de destructieve keerzijden van ongebreidelde groei is bevrijding van de groeiobsessie, nulgroei of negatieve groei, dus een stabiele samenleving met een economie van het genoeg. De geduchtste tegenstander van de groeimanie die ons teistert is diegene, die genoeg heeft, die bescheiden behoeften heeft wat betreft materieel bezit, apparatuur en comfort en die beseft dat er geen duidelijke correlatie bestaat tussen de kwaliteit van een rijkgevuld leven en een steeds groeiende consumptie. Die wel streeft naar geestelijke maar niet naar economische groei en zowel innerlijk als uiterlijk onafhankelijk is geworden van economisme en materialisme.

Soms droom ik ervan burger te zijn van een samenleving waarin het economische domein weer is ingebed in het sociale en politieke; waarin de almacht van markt en geld is doorbroken; waarin kleinschaligheid de megalomane tendensen van onzen tijd het hoofd biedt en waarin lokale gemeenschappen niet langer ontwricht worden door de wereldmarkt. Het zou een samenleving zijn van vrijwillige eenvoud, waarin hebzucht en rivaliteit het niet meer zouden winnen van wederkerigheid en 'convivialiteit' (Illich) en waarbij wereldwijd gelijkheid en rechtvaardigheid zouden heersen. Pas dan zou de 'global village' van de planeet aarde werkelijk onze 'oikos' zijn geworden; thuis en huishouding van een verenigde en wijze mensheid waarin economie en ecologie niet langer elkaars tegendeel zouden zijn.

Ton Lemaire De val van Prometheus, 157

31 mei 2010

1020

Ja, ik heb weer zin om te schrijven. Maar waarom lukt het dan niet? Ideeën en onderwerpen genoeg, maar de rust, de ruimte en het zelfvertrouwen ontbreken. Nu heb ik daar wel een tactiek voor om dit te doorbreken: ik begin gewoon met schrijven. Het resultaat is dan doorgaans bedroevend. Vele opzetjes zijn al in de prullenbak verdwenen, schrijven laat zich niet forceren bij mij. Het moet gebeuren in onbewaakte ogenblikken, tijdens het lezen van een boek, tijdens een wandeling. Mijn hersenen dicteren dan flarden van zinnen die ik manmoedig probeer te onthouden. Ik ervaar het als een moment van geluk als ik dan een zin kan maken die dicht bij de gedachte is gekomen, een zin waarvan ik hoop dat deze goed genoeg is om meer bij te lezer op te wekken dan dat er daadwerkelijk geschreven wordt.

Nee, het wil niet, de gedachten worden afgeschermd door een poortwachter. Toch zie ik de poort openstaan en ik weet dat ik maar naar binnen hoef te lopen. Het zijn teveel zorgen die me weerhouden, zorgen om mijn kinderen, zorgen om mijn toekomst. Het huwelijk is geen gevangenis en ik moet mijn vrouw laten gaan, ze wil niet verder, ze is iemand anders tegengekomen. Niet dat ik iets verkeerd zou hebben gedaan, helemaal niet, ik ben zoals ik ben. Je bent een bijzondere man, zegt mijn vrouw. Ik ervaar dat als pijnlijk, want het is niet de eerste keer, dat mijn leven ongewild een wending neemt omdat ik ben zoals ik ben (en dat schijnt dan iets bijzonders te zijn). Zo vind ik het moeilijk om 'mij' te zijn.

Maar ik eis ook te veel van mijn schrijven, ik ben eigenlijk zelden tevreden. Dat weerhoudt mij de laatste tijd om er aan te beginnen. Waarom nog schrijven als het toch niet wordt wat ik zou willen? Hier ligt desalniettemin een oplossing op de loer. Ik moet gaan schrijven zoals ik schaak: met afgrijzen voor het eindresultaat. Of ik nu win, remise speel of verlies, als ik maar plezier heb gehad in het spel. Ik moet mijn eisen bijstellen en niet verwachten dat ik een grootmeester in het schrijven ben. Dus schrijf ik en bekommer me niet meer zo nadrukkelijk om wat ik schrijf, als ik maar met genoegen schrijf. Misschien ontspant het me uiteindelijk.

20 mei 2010

1019

Hoe lang hebben we elkaar niet gezien? Zestien, zeventien jaar? Herinner jij nog de laatste keer? Ik zie me nog die straat uitlopen in Haarlem waar jij pas was gaan samenwonen. Ik dacht: dit kon wel eens de laatste keer zijn. Ik draaide me om om je nog eenmaal te zien ... (zie 811).

Ik drukte op het knopje, maar ik hoorde de bel niet gaan. Er is vast niemand thuis, dacht ik, of ze werkt of ze is met de kinderen op vakantie. Toen hoorde ik rumoer achter de deur en de deur ging open. Ik zag haar bijna negentien jaar geleden voor de laatste keer.

De mogelijkheid van een bezoek was er wel vaker geweest, maar ik had het nooit gedaan. Ditmaal moest het er van komen. Deze vakantieweek ging ik uitstapjes maken met mijn oudste zoon. We gingen de Hermitage in Amsterdam en het Airborne Museum in Arnhem bezoeken, een rondleiding volgen door de Tweede Kamer in Den Haag en het Teylersmuseum in Haarlem bekijken. Als er tijd over was, zouden we ook nog andere bezienswaardigheden zoeken. Zo kwamen we terecht in het Amsterdams Historisch Museum en in Den Haag in het Letterkundig Museum (dat me erg tegenviel). Maar na het Teylersmuseum had ik het plan opgevat om nog even Haarlem in te gaan, herinneringen op te halen en dan met de auto naar dat kleine plaatsje ten oosten van Haarlem gaan.

Ik aarzelde tot op het laatste moment. Waarom deed ik dit? Wat moest ik ervan verwachten? Wat durfde ik te hopen? Ik wist geen antwoorden en toen het moment daar was doorrijden naar Amsterdam of afslaan de polder in was er geen twijfel, ik sorteerde voor naar rechts. Ik had maar vaag de route in mijn hoofd, maar reed er zonder problemen naartoe (inderdaad, ik heb geen TomTom aan boord). Alsof een hogere macht me leidde, had ik er bijna aan toegevoegd. Maar die hogere macht was ongetwijfeld de diepe wens om haar eenvoudigweg weer terug te zien, te ontmoeten, te kijken wat er nog over is.

Hoe banaal is het dan uiteindelijk? Je rijdt de straat in, je zoekt het huis met het juiste huisnummer op, je parkeert de auto en je loopt naar de voordeur. Een doodnormale dag in mei. Meer is het niet, afgezien dan van de verwachtingsvolle spanning.

De gedachte ze herkent me niet kon ik niet afmaken toen ze mij plotseling herkende. Het volgende moment omhelsden we elkaar. Het was goed.

Helaas kon ik niet lang blijven, ik moest aan het eind van de middag de kleinsten van de opvang ophalen. Bovendien was mijn oudste zoon erbij, wat maakte dat ik niet alles kon aansnijden. Het was voldoende om me weer volkomen vertrouwd te voelen, een beetje thuis te komen. In een paar minuten tijd werd negentien jaar overbrugd en in het uur dat we samen waren, bespeurde ik vaag de magie van vroeger. Ineens schoot het door me heen, een vreemde gedachte, maar zo kwam het in me op: het is de talige kant die haar zo bijzonder maakt voor mij. De ironie en de ernst, de formuleringen, het onuitgesprokene dat ik vanzelfsprekend kan invullen, de gedachten die we van elkaar kunnen aanvullen, en de lichaamstaal. Alhoewel het niet de intensiteit van vroeger had, herinnerde ik me ineens hoezeer het een feest was om eindeloos met elkaar te praten. Ik realiseerde me hoe verschrikkelijk erg ik dat al die jaren gemist heb. Hoe ze het doet, ik weet het niet, maar het is iemand die me inspireert. En nog steeds, wanneer ik dit opschrijf, voel ik herwonnen ruimte in mezelf, donkere wolken maken plaats. En bovenal: zin om te schrijven!

Zou er de mogelijkheid bestaan om de vriendschap weer op te pakken? Ik zou niets liever willen in deze donkere tijden. Als iemand mijn zorgen op haar geheel eigen wijze zou kunnen verlichten, dan is zij het wel. Alleen, de asymmetrie die vroeger in onze vriendschap aanwezig was, is er waarschijnlijk in meer of mindere mate nog steeds: het is vooral mijn behoefte, niet de hare. Het zou mijn initiatief zijn en zij zou er of genoeg van krijgen of het welwillend laten voortkabbelen. Bovendien heeft zij haar eigen leven opgebouwd ondertussen, haar eigen vrienden en relaties, haar eigen netwerk en bezigheden.

Ik zit nog met een heleboel vragen die ik haar zou willen stellen. De antwoorden daarop zouden wel eens het einde van een boek kunnen zijn of de opmaat naar een nieuw hoofdstuk. Toen we elkaar bij het afscheid nogmaals omhelsden en zoenden zei ik: we zien elkaar vast nog wel eens. Ik verstond niet wat ze daarop zei.

9 mei 2010

1018

De film The Shock Doctrine is gebaseerd op het gelijknamige boek van de Canadese journaliste Naomi Klein. Ik heb het boek niet gelezen, maar een eerder boek, No Logo, wel en daar was ik van onder de indruk. Nog steeds moet ik aan dat boek denken als ik bepaalde logo's in het straatbeeld zie. Gisteravond ging ik de film zien in het Louis Hartlooper Complex.

Misschien had ik geheel anders tegen de film van Michael Winterbottom en Mat Whitecross aangekeken wanneer ik het boek gelezen had. Nu kwam het op mij over als linkse propaganda. Ik kreeg een waterval aan historische beelden over mij heen, met daarachter de stem van Naomi Klein die gefilmd was tijdens lezingen. Beelden moeten de woorden kracht bijzetten. Voor wie het boek niet kent, zijn de woorden van Klein niet overtuigend. Ik miste de documentatie, de argumentatie, de feiten, maar bovenal miste ik in deze film de falsificatie. Nergens wordt een tegengeluid naar voren gebracht, een historicus die wellicht een nuancering zou kunnen aanbrengen, of een specialist die de getoonde gebeurtenissen (Chili Pinochet, Argentinië Videla, Nixon, Reagen, Bush, Tatcher, Jeltsin enz.) vanuit een andere invalshoek weet te benaderen. Nu moest ik maar voetstoots aannemen dat het allemaal de schuld was van De Grote Boosdoener Milton Friedman en zijn vrijemarktkapitalisme. De film Fitna van Geert Wilders is vele malen slechter, zijn boodschap vele malen minder aannemelijk, maar in wezen heeft zijn film in miniatuur dezelfde structuur. Alleen heeft Wilders een islamofobe boodschap die ik allerminst deel, terwijl het gehak op Friedman cs me als links politiek denker wel bevalt, ondanks alle kanttekeningen.

Na afloop sprak ik met een vriend nog wat na in het Ledig Erf. Het was tijdens dit gesprek dat ik me ineens realiseerde dat ik de verjaardag van deze website eenvoudigweg vergeten was. Op 25 april bestond dit virtuele eilandje zeven jaar!

2 mei 2010

1017

Hoe ben ik toch op het onzalige idee gekomen om hier bij te houden wat ik allemaal lees? Want gebeurt dat al niet teveel, mensen die op hun website vermelden wat ze gelezen hebben? Wat hebben we aan zo'n opsomming? Soms worden er dan nog een paar woorden vuil gemaakt aan het oordeel over het boek, maar die oordelen zeggen vaak weinig over het boek, vaak meer over de lezer. Menige boekbespreking in weblogland komt niet verder dan het is een leuk boek, want het is spannend of ontroerend of onderhoudend (dodelijk!) of ... vult u zelf maar in. Dan hoop je te lezen waarom het spannend, ontroerend of onderhoudend is, maar dat komt dan niet.

Kan ik het dan beter? Nou, misschien, een beetje, maar eigenlijk schrijf ik geen boekbesprekingen. De boeken die ik lees krijgen op een andere wijze hun plek op deze website. Dat kan heel concreet zijn door het citeren van fragmenten die me getroffen hebben of citaten die een kern van een boek weergeven. Maar meestal wordt het gelezene dat ik van waarde acht opgenomen in teksten met een ander doel. Soms vermeld ik dan het boek, maar doorgaans verdwijnt het in het voortdurende gesprek van schrijven en herschrijven, het is onderdeel geworden van mijn eigen denkwereld. Lezen is geen doel op zich, het is voor mij een middel om in gesprek te blijven met de wereld, het leven, het denken en voelen, de geschiedenis en ik probeer daarover te schrijven (al lukt dat maar matig).

Waarom dan toch hier mijn leesagenda bijhouden? Omdat het mij helpt te structureren en disciplineren. Ik ga het niet uitleggen, veellezers zullen het wellicht wel begrijpen. Het is voor niemand interessant, ik ben hier nog egoïstischer dan op de rest van deze virtuele grabbelton. De lijst met titels is voor mijn geheugen, om terug te kunnen kijken, om een lijn te kunnen aanbrengen, om terug te kunnen vinden enz. enz.

Sara Maitland Stilte als antwoord. Buitengewoon boeiend, zelden begin ik ogenblikkelijk een tweede maal aan een boek als ik het uitgelezen heb.

Deus ex Machina nr. 128: Een andere taal. Schrijven in Franstalig België. Een tegenvallend nummer, vooral de antwoorden van auteurs op een enquete voegden bitter weinig toe.

Allard Schröder Amoy. Mooie roman, zo lees ik ze graag (zie 1010).

Met andere zinnen nr. 13. De eerste keer dat ik dit tijdschrift heb gelezen en ik ben tot de conclusie gekomen dat ik niet tot de doelgroep behoor.

Nexus nr. 52 Wat is groot?. Eindeloos humanistisch optimisme en geneuzel, ik weet niet waarom ik dat toch steeds weer wil lezen. Misschien omdat de essayisten kunst en cultuur waarderen en de illusie hoog willen houden, dat het de mens vooruit helpt. Ik glimlach daarom en tegelijkertijd wordt mijn blik gescherpt.

Het liegend konijn 2009/2. Ik begin altijd met veel enthousiasme aan een nieuw nummer en ben na afloop weer voor lange tijd verzadigd. Prachtige gedichten worden afgewisseld met gedichten waar ik mijn schouders over ophaal. Na elk nummer neem ik me voor geen nieuw nummer te kopen, totdat het weer in de winkel ligt.

Hannah Arendt Totalitarisme. Schitterend! Bewondering voor Arendt en niet in de laatste plaats, omdat ze theoretisch kan schrijven over een onderwerp waar zij en zovele andere mensen onder geleden hebben. Juist de stilistische afstandelijkheid en de precieze formuleringen maken het boek nog aangrijpender (zie 1013).

Revolver nr. 143 Hans Magnus Enzensberger. Aardig nummer, ik weet nu iets meer over meneer Enzensberger.

Katja Rodenburg enz. (red.) Nietzsche lezen. Negentien filosofen over hun eerste kennismaking. Gelukkig had ik het niet aangeschaft, maar geleend van de bibliotheek, want het valt vies tegen.

Civis Mundi jrg. 48 nr. 2 Literatuur en filosofie. Laatste nummer van een blad dat ik net leerde kennen. Interessante artikelen, helaas stilistisch nogal saai, net als de opmaak van het blad. Jammer dat het verdwijnt, maar ik kan zonder.

Ondertussen las ik nog een hoofdstuk in de biografie van Hannah Arendt, het hoofdstuk dat naar de publicatie van De menselijke conditie leidt. Dit is een manier om vorm te geven aan mijn projecten. Ik lees een biografie van een auteur en als de publicatie van een boek ter sprake komt, dan lees ik dat eerst. Soms lees ik er nog allerlei secundaire literatuur omheen. De menselijke conditie belooft eveneens een prachtig boek te zijn. Het eerste hoofdstuk over vita activa en vita contemplativa was meteen al inzichtelijk. Stond de vita contemplativa het richten op dat wat eeuwig is (zoiets als God bijvoorbeeld) niet eeuwenlang in een hoger aanzien dan de vita activa het tijdelijke arbeidende (over)leven? En is die waardering de afgelopen eeuw niet omgedraaid?

Naast Arendt lees ik 's avonds een paar bladzijden uit een omvangrijk boek: Radicale verlichting van Jonathan I. Israel. In mijn werktas zit nog een prachtig nummer van DW B over Rogier van der Weyden, naast een nieuwe vertaling van de Daodejing en de recent aangeschafte bundel Hinkelspel van Marleen de Crée.

20 april 2010

1016

No way

van ijs en agaat is het verdict
van je ogen. kilte blikt de adem in.
geen plek om ooit, geen ruimte
in zicht. nergens bergt men zich.

zijige wimpers verhullen het niet,
het niemand dat zich opengooit
in het plasma van het bloed.
snaren trillen in het licht, laten

het leven dwalen, zwart bedekt
het laken, je schaduw hapert
en weemoed lekt de kamer uit.

een dunne stilte weeft ons samen.
je draalt, je kwijnt, ik wil bewaren.
ik stok. ik zal je komen halen.

Marleen de Crée Hinkelspel, 23

20 april 2010

1015

Heinrich Ignaz Franz Biber (1644-1704)
Passacaglia in g (ca. 1676)
Ryo Terakado - barokviool

Misschien wel de mooiste muziek die ik ooit gehoord heb. Toen ik het voor de eerste keer hoorde, stond ik aan de grond genageld en liet de cd het herhalen en herhalen. Dit mogen ze op mijn begrafenis draaien, dacht ik nog. Zelden is muziek zo dichtbij gekomen, zelden vertolkte muziek zo duidelijk mijn gevoelens van smart. Is het de eenzaamheid van de viool? Is het de eenvoud van de korte dalende lijn in de bas die maar herhaald en herhaald wordt (een kenmerk van een passacaglia). Prachtig hoe Biber tegen deze vier dalende noten de variaties laat klinken, variaties die los lijken te willen komen van de zwaartekracht van de bas, soms aarzelend, soms extravert, soms met de moed der wanhoop, maar altijd elegant. Een enkele keer lijkt het te lukken, wanneer het basthema in een hoger octaaf klinkt. Er is geen ontkomen aan en zo eindigt het stuk zoals het begonnen was. Je kan zo'n baslijn nog zo proberen te verfraaien met allerlei ornamenten, maar de basis blijft uiteindelijk altijd hetzelfde. Zo is het leven: we kunnen het proberen aangenamer te maken, maar wezenlijk verandert er niets. Of is het de akoestiek van de kerk die de verlatenheid van deze muziek nog eens versterkt, een eenzame violist in een grote klinkende ruimte?

3 april 2010

1014

ik val en ik val en ik val

Het doet pijn, dat onvermogen om te schrijven. Ik ben gehecht geraakt aan deze uithoek. Hier wachten al mijn plannen en projecten rustig op betere tijden en ik weet niet wanneer deze zullen aanbreken. Ondertussen probeer ik (ook dit is weer een poging). Ik moet verder met Nietzsche, ik wil nu eindelijk die brief aan Brugge afschrijven en al die andere projecten die geparkeerd staan. Daarnaast voel ik de verwachtingen van bezoekers die hier dagelijks langskomen.

Ooit zal ik kunnen schrijven over het verlies dat ik niet gewild heb. Misschien wanneer ik weer alleen woon, misschien eerder al, misschien wel nooit. Ondertussen

30 maart 2010

1013

Ik lees nog steeds in Totalitarisme van Hannah Arendt, een boek dat me fascineert. Niet alleen omdat het inzicht verschaft over de donkere jaren in de twintigste eeuw, maar ook omdat het mijn blik scherpt op de extreem rechtse tendensen in de Nederlandse politiek. Vele passages zou ik in dit verband hier willen overschrijven, maar laat ik me beperken.

Het was tekenend voor de opkomst van de nazibeweging in Duitsland en van de communistische bewegingen in Europa na 1930, dat ze hun leden rekruteerden uit deze massa van kennelijk onverschillige mensen, aan wie andere partijen geen aandacht meer besteedden omdat ze hen opgegeven hadden als te apathisch of te dom. Het resultaat was dat de meerderheid van hun leden bestond uit mensen die voordien nooit op de politieke scène verschenen waren. Hierdoor kon men totaal nieuwe methoden in de politieke propaganda invoeren en onverschillig blijven voor de argumenten van politieke tegenstanders; deze bewegingen plaatsten zich niet alleen buiten en tegenover het partijsysteem in zijn geheel, hun leden bestonden vooral uit mensen die door het partijsysteem nooit werden bereikt noch 'bedorven'. Daarom hadden ze er geen behoefte aan de argumenten van hun tegenstanders te weerleggen en verkozen ze systematisch doodsbedreigingen boven pogingen tot overreding, terreur boven overtuiging. Meningsverschillen hadden volgens hen altijd diep natuurlijke, sociale of psychologische wortels, waardoor ze dus aan de controle van het individu en aan de macht van de rede ontsnapten. Dit zou een tekortkoming geweest zijn, als die bewegingen op een eerlijke manier met andere partijen in competitie waren getreden; maar aangezien ze wisten dat de mensen met wie ze te maken hadden, alle partijen even vijandig gezind waren, bleek het geen tekortkoming te zijn. (...) De bewegingen nu brachten iets aan het licht wat geen enkel ander orgaan van de publieke opinie ooit duidelijk had kunnen maken, met name dat de democratische regering evenzeer steunt op de zwijgende instemming en tolerantie van de onverschillige en ongestructureerde lagen van de bevolking als op de gestructureerde en zichtbare instellingen en organisaties van het land. Als de totalitaire bewegingen dus het parlement binnendrongen, met hun minachting voor de parlementaire regering, wekten ze alleen de indruk inconsistent te zijn: in feite lukte het hen een groot gedeelte van de bevolking ervan te overtuigen dat parlementaire meerderheden vals zijn en niet noodzakelijk een afspiegeling vormen van de werkelijke verhoudingen in het land; op die manier ondermijnden ze het zelfrespect en het vertrouwen van de regeringen, want ook die geloofden eerder in de heerschappij van de meerderheid dan in hun grondwet.

Hannah Arendt Totalitarisme, 74-76

19 maart 2010

1012

Nu het voorbij is, ben ik blij dat ik het heb meegemaakt. Wellicht omdat de intensiteit niet levensgevaarlijk was. Ik kon, terwijl ik overmand werd door gevoelens van ontreddering, tegelijkertijd signaleren dát ik me in een wanhopige toestand bevond en ik vroeg me af of dit nu een toestand was die men een depressie noemt.

Het was alsof het leven ophield aan de grens van mijn huid. Achter mijn gesloten ogen raasden destructieve gedachten die ik niet meer kon ombuigen. Alle redelijkheid was door mijn porieën naar buiten geperst. De wereld buiten mij ervaarde ik als vijandig en volkomen zinloos. Niets zou me nog weten te motiveren om uit bed te komen. Ik was een overbodig mens geworden, verlaten in een overbevolkte woestijn. Het was geen onverschilligheid, zeker niet, maar eerder een verdrinken in een diep bad van somberheid en woede. Ik zweefde enige tijd in een oneindig niets en was doodmoe.

Gelukkig kon de buitenstaander die ik was geworden me uit bed slepen en een boterham voor me smeren. Koffie sloeg ik over en voor het eerst in jaren las ik niet tijdens de treinreis naar mijn werk. Alle lectuur kon me gestolen worden. De bezorgde gezichten van mijn collega's interesseerden me niet, ik sloot me af met een koptelefoon op mijn hoofd. Het was de muziek van Bach en het telefoontje dat ik wederom oom was geworden, dat langzaam maar zeker de mist in mijn hoofd deed oplossen.

Vierentwintig uur leefde ik in een wereld die langzaam verkruimelde. Het was niet het bewustzijn van deze toestand die me verontruste, maar de uren dat ik machteloos moest toezien en ondergaan, uren waarin ik mezelf buitensloot. Uiteindelijk wist ik me bij de haren uit het moeras te trekken. De buitenstaander had zichzelf weer binnen gelaten.

Dagen heb ik gezocht naar de woorden om deze ervaring over te brengen. Ik vond ze niet. Gelukkig maar, want de juiste woorden zouden ongerijmd zijn. Nu geniet ik van de stilte na de storm.

12 maart 2010

1011

Het stormt. Bladeren dansen rond in de hoeken. De stilte ontsnapt tussen de straatstenen. Ik moet het grijpen voordat alles verloren is. Onwillig laat het zich bottelen in lege flessen. Als de wind gaat liggen, zal ik ze ontkurken en het op een zuipen zetten. Om te kunnen spreken.

26 februari 2010

1010

Hij liep terug naar de spiegel. 'Wil ik zijn wie ik ben?' vroeg hij hardop aan zijn spiegelbeeld. 'En als dat niet zo is, waarom wil ik dat dan niet?'

Hij wist geen antwoord.

Allard Schröder Amoy, 82

23 februari 2010

1009

Ik ben niet geabonneerd op tijdschriften, ik kijk zo nu dan op de websites van tijdschriften of er een nieuw nummer uit is en of er wat in staat dat mijn nieuwsgierigheid wekt of mijn belangstelling heeft. Soms koop ik tijdschriften omdat ik de kwaliteit ervan eenvoudigweg goed vind en dan laat ik me gewoon verrassen. Wanneer ik dan een nieuw nummer gekocht heb, komt het onderaan de stapel tijdschriften, waardoor het soms nog maanden duurt voordat ik daadwerkelijk aan dat nummer begin. Overigens heb ik het geluk dat mijn werk vlakbij het Nieuwscentrum van boekhandel Athenaeum in Amsterdam ligt, want daar verkopen ze tijdschriften die ik elders nooit tegenkom. Had ik deze praktische mogelijkheid niet, dan zou ik via internet moeten bestellen.

De afgelopen weken kwam het goed uit dat er een flinke stapel tijdschriften voorradig was. Ik was ziek geworden en ik heb me een paar dagen knap beroerd gevoeld, zozeer dat ik zelfs geen lust had om te lezen (laat staan om te schrijven voor mijn website). De koorts en de pijnlijke hoest verdwenen, maar sindsdien voel ik een vermoeidheid die niet zozeer fysiek is, maar mentaal. Die vermoeidheid weerhield me de boeken te lezen waarbij ik veel concentratie nodig zou hebben. Ik was nog wel begonnen in het inleidende gedeelte van Hannah Arendts Totalitarisme, maar ik ruimde het boek weer op. Wel lukte het me nog om het hoofdstuk The Origins of Totalitarism en de eenentwintigste eeuw uit Het belang van Hannah Arendt van Elisabeth Young-Bruehl te lezen. Een mooi overzicht van de ontstaans- en receptiegeschiedenis van het boek waarmee Hannah Arendt doorbrak.

Maar tijdschriften dus. De afgelopen weken las ik het juni-juli nummer van De Gids met als thema Anxiety & Serenity, waarbij vooral het laatste begrip en het artikel van Kristofer Schipper mijn aandacht trok. Daarnaast trok de belofte van de poëzie van Maria Barnas, Alfred Schaffer en Onno Kosters mij naar dit nummer. Het artikel van Schipper viel tegen, het bleef teveel hangen in de anecdote, maar daar stonden de verrassend mooie stukken van Roel Bentz van den Berg en Johanneke van Slooten tegenover. Uit het verhaal van Maartje Wortel citeerde ik hier al een fragment (zie 1005).

Na De Gids las ik een themanummer Nietzsches deugden van Filosofie (jrg. 19 nr. 4 augustus/september 2009). Een groep studenten aan de Radboud Universiteit Nijmegen namen individueel onder begeleiding van de Nietzschekenner Paul van Tongeren een 'deugd' van Nietzsche voor hun rekening en maakten daar een analyse van. De deugd Heiterkeit kwam in 1006 terecht. Ik las toen in een roes ook de nieuwe bundel zet af en zweef van Hélène Gelèns en de regel plukken we de nacht voor er lantaarns zijn geplant? in het gedicht Wat rafelt en bloeit (blz. 30) versmolt zo met Nietzsches Heiterkeit. (En voor de goede lezer: Heiterkeit, monterheid, vindt u ook weer terug in het citaat in de eeuwige terugkeer (19).)

Het volgende tijdschrift op de stapel was een nummer van Zacht Lawijd, een literair-historisch tijdschrift, dat ik nooit eerder had gelezen. Nummer 7-3 gaat onder andere over de voor mij onbekende auteur Alice Nahon. Opgenomen is een fragment uit de biografie van Alice Nahon, geschreven door Manu van der Aa. Meer dan proeven was het niet en ik zal ongetwijfeld nog wel eens nummer van dit tijdschrift lezen als de onderwerpen mijn belangstelling hebben.

Al met al toch nog veel gelezen de afgelopen weken, ondanks mijn vermoeidheid. (Ik vergeet nog de paar bladzijden dagboek van Nolens, het essay Oprecht veinzen van Kellendonk en twee essays van Montaigne) Ondertussen gaat het wat beter en moet er geschreven worden. Er zit nog een brief aan Brugge in mijn hoofd. Voor deze week zit er een aflevering van Deus ex Machina in mijn werktas (jrg. 33 nr. 128 juni 2009 over schrijven in Franstalig België) en het boek Stilte als antwoord van Sara Maitland. Daarover een volgende keer.

10 februari 2010

1008

de eeuwige terugkeer (16)

De exacte datum weten we niet, maar eind juni 1879 vertrekt Nietzsche naar St. Moritz. Na drie weken ellende in Wiesen voelt hij zich hier een stuk beter, hij is aanvankelijk euforisch over St. Moritz. Hij vindt onderkomen in het Pension Helvetia en verzoekt zijn naasten en beste vrienden zijn adres geheim te houden, post moet naar een post restante adres, iets wat Nietzsche nog jaren zal volhouden. Hij wil geen bezoek, alsof bezoek de betovering zou kunnen verbreken. Vreemd is dat, iemand die zo alleen is en voortdurend ziek, wil geen bekenden zien. Zoals hij aan zijn moeder schrijft: Ich vertrage keinen Besuch (KSB 5, 419). Ook hier is Nietzsche veel ziek, maar het zijn de omstandigheden, het eten, de lucht, datgene wat hij omschrijft als einer einfachen und natürlichen Lebensweise, die het schijnbaar dragelijk maken. En ook hier besteed Nietzsche veel tijd aan wandelen (Diese herrlichen Wälder! Ich bin 7-8 Stunden im Freien.) en noteert de St. Moritzer Gedanken-Gänge, hetgeen Der Wanderer und sein Schatten zou worden.

Het is niet alleen zijn gezondheid die hem noodzaakt er een sobere levenswijze op na te houden. Niezsche leeft zonder inkomsten uit werk, slechts met een klein pensioen en ondersteunende giften moet hij zien rond te komen. Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en blijft zelden lang op een plek. Het reizen en het vervoer van zijn bezittingen kost veel. Nietzsche schrijft niet over hotels, maar verblijft in pensions. Hij bezoekt geen restaurants, maar bereidt zijn eten op zijn kamer. Ich wohne ganz für mich und esse im Zimmer (wie in Basel, auch fast dieselben Dinge (nur keine Feigen), fast kein Fleisch: aber viel Milch. Es thut gut. Hier will ich lange bleiben. Aber verbirg ängstlich meine Adresse, sonst muß ich fort (KSB 5, 421), schrijft Nietzsche aan zijn zuster. Als de plaatselijke levensmiddelen te duur zijn, schroomt Nietzsche niet ze van elders te laten opsturen. Zo had hij in Wiesen nog honderdvijftig beschuiten laten bakken en via mevrouw Rothpletz krijgt hij levensmiddelen uit Zürich toegezonden. Wanneer hij bij zijn moeder informeert naar de prijs van een kist met drie kilo Brown College is dat het begin van de zendingen befaamde kisten met levensmiddelen die de komende tien jaar geregeld opduiken in de correspondentie.

Zo is Nietzsche dan voortdurend op zoek naar een prettig klimaat voor zijn gezondheid, een menu dat zijn maag aankan en kostenbesparingen die zijn werk- en thuisloze leven mogelijk moeten maken. Het is in dit licht misschien niet verwonderlijk dat Nietzsche schrijft over een eenvoudig leven, de wereld als klooster voor vrije geesten. Hij projecteert als het ware zijn ziekte op de cultuur van zijn tijd en wanneer hij in de vormgeving van zijn leven zijn eigen arts wil zijn, zo lijkt hij filosofisch op zoek naar een diagnose van de wereld waarin hij leeft. Wanneer Nietzsche in 1886 in een herdruk van Menselijk, al te menselijk op deze tijd terugkijkt, schrijft hij in het nieuwe voorwoord:

Toen pas leerde ik de kluizenaarstaal, waarin alleen extreme zwijgers en lijders goed thuis zijn: ik sprak, zonder getuigen, of liever, onverschillig ten aanzien van getuigen, om niet onder het zwijgen te lijden, ik sprak louter over zaken die me niets aangingen, maar zó alsof ze me wel iets aangingen. Toen leerde ik de kunst, me monter, objectief, nieuwsgierig, vooral gezond en boosaardig voor te doen, en bestaat bij een zieke hierin niet, zoals me voorkomt, zijn 'goede smaak'?
(...)
Misschien is dit juist voor onze pessimisten een wenk om zichzelf eens te onderzoeken? want het was in die tijd dat ik mezelf de stelling ontwrong: 'iemand die lijdt heeft nog geen recht op pessimisme!', in die tijd ondernam ik met mijzelf een langdurig-geduldige veldtocht tegen onwetenschappelijke grondhoudingen van elk romantisch pessimisme, om bijzondere persoonlijke ervaringen tot algemene oordelen, en zelfs veroordelingen van de wereld, op te blazen en als zodanig uit te leggen... kortom, in die tijd draaide ik mijn kijk op de dingen om. Optimisme ten behoeve van het herstel, om vroeg of laat weer eens pessimist te mogen zijn begrijpen jullie dat? Net zoals een arts zijn patiënt in een volkomen vreemde omgeving neerzet, zodat hij van zijn hele 'tot dusverre', zijn zorgen, vrienden, brieven, plichten, domheden en geheugenmartelingen weggerukt wordt en zijn zijn handen en zinnen naar nieuw voedsel, nieuwe zon, nieuwe toekomst leert uit te strekken, zo dwong ik, arts en patiënt in één persoon, mezelf tot een omgekeerd, onbeproefd zielsklimaat en met name tot een wegtrekkende omzwerving in den vreemde, in het vreemde, tot een nieuwgierigheid naar alle vreemde dingen van alle soorten... Een lang rondtrekken, zoeken, veranderen kwam hieruit voort, een afkeer van alles wat blijvend en vast is, tegen elk botweg bevestigen en ontkennen; en ook een diëtetiek en discipline die het de geest zo gemakkelijk mogelijk wilden maken om ver te snellen, hoog te vliegen, en bovenal, steeds weer weg te vliegen. Eigenlijk een minimum aan leven, een ontketening van alle grovere begerigheden, een onafhankelijkheid in weerwil van allerlei ongunstige invloeden van buitenaf, en bovendien de trots, te kunnen leven onder deze invloeden; (...) Het leven zelf beloont ons voor onze taaie wil tot leven, voor zulk een lange oorlog als ik destijds met mijzelf tegen het pessimisme van de levensmoehoed voerde, het beloont ons al voor elke oplettende blik van onze dankbaarheid die ook de kleinste, teerste, vluchtigste geschenken van het leven niet versmaadt. We krijgen daar ten slotte de grote geschenken van het leven voor, misschien ook het grootste dat het geven kan, we krijgen onze taak weer terug. ––

Friedrich Nietzsche Menselijk, al te menselijk, 291-292

9 februari 2010

1007

Mijn oudste zoon en ik praten over de boeken die hij voor Nederlands leest. Hij is nog niet toe aan literatuur voor volwassenen en houdt het nog bij jeugdliteratuur. Hoe goed jeugdliteratuur ook kan zijn, ik kan niet wachten op het moment dat hij de sprong in de diepte gaat maken. Soms kan ik het niet laten om al na te denken over welke boeken ik hem zou willen aandoen. Ineens valt Bint van Bordewijk me te binnen, een boek waar ik zelf in mijn jeugdjaren van genoten heb. Ik vertel S. over de eigenaardige namen van de leerlingen, namen die bijdragen aan de sinistere humoristische sfeer van het boek. De boeken over literatuurgeschiedenis die ik voor mijn middelbare school moest aanschaffen, staan nog steeds in de kast, het zijn naast de Bosatlas de enige schoolboeken die ik nog heb. Wanneer ik het tweede deel van Het spel en de knikkers van Piet Calis uit de kast pak om Bordewijk op te zoeken, valt er een kladbriefje uit het boek. Verwonderd kijk ik naar mijn eigen handschrift van lang geleden. Ik begrijp al snel dat het een lijstje is van de vijftien boeken die ik voor het mondeling Nederlands heb gelezen. Het was zeker niet de definitieve lijst, want we mochten de lijst aanvullen met titels van boeken die we ook gelezen hadden, zodat we die eventueel konden gebruiken in het gesprek. Als ik het me goed herinner, had ik een lijst met veertig titels, waaronder ook veel vertaalde buitenlandse boeken. Ik was de enige die zijn aanvulling inleverde en het mondeling Nederlands was één van mijn grootste wapenfeiten uit het examenjaar. Ik was voor de middagpauze de laatste leerling op het rooster en de vijfenveertig minuten die voor het mondeling stond werd anderhalf uur. Het was geen examen voor mij, maar een heerlijk gesprek over literatuur. Ik kreeg een negen voor dit mondeling examen, niet omdat ik de vragen allemaal correct beantwoord had, maar omdat ik eenvoudigweg een gesprek over literatuur had kunnen voeren. U begrijpt, ik ben er nog steeds trots op.

De titels op het lijstje, zoals ik ze toen noteerde:
1 Een Nagelaten Bekentenis - Marcellus Emants
2 Louis Couperus - Verhalen
3 Frans Coenen - Een Zwakke
4 Maarten 't Hart - De Droomkoningin
Amsterdam 1981, De Arbeiderspers 13e dr.
5 Hubert Lampo - De komst van Joachim Stiller
Amsterdam 1985, Meulenhoff 33e dr
6 Hubert Lampo - Terugkeer naar Atlantis
Amsterdam 1983, Meulenhoff 15e dr
7 Gerard Reve - De Avonden
Amsterdam 1984 - De Bezige Bij 32e dr
8 Elsschot - Gedichten
9 Slauerhoff - Gedichten 2x
10 Elsschot - Villa del Rosa
11 Van Kooten - Koot graaft zich autobio
12 Hubert Lampo - Kaspar in de onderwerld.
13 Biesheuvel - In de bovenkooi.
14 Frank - Het Achterhuis.

Veertien nummers, maar de twee bundels van Slauerhoff maakt vijftien. Ik heb alleen Een eerlijk zeemansgraf nog in de kast staan. Andere nummers die nog in mijn kast staan, zijn 4, 5, 6, 7 en 13. Ik mis veel titels waarvan ik zeker weet dat ze ook op de lijst stonden, maar schijnbaar op het aanvullende deel, zoals De boeken der kleine zielen en Eline Vere van Couperus, het verhaal De Binocle van Emants, Julia van Rhijnvis Feith en zeker ook De laatste deur van Jeroen Brouwers en De donkere kamer van Damocles van Hermans. Over De Binocle had ik ooit geheel vrijwillig en op eigen initiatief een spreekbeurt gehouden. De Droomkoningin staat in mijn herinnering gegrift als de eerste volwassen Nederlandse roman die ik ooit las. Mijn moeder had het me ooit cadeau gedaan, omdat er zoveel Bach in voor kwam. Verder valt me op dat ik in dat examenjaar dus veel Lampo en Elsschot las, terwijl ik me herinner dat ik Elsschot maar niks vond. De Avonden van Reve was bijna een verplicht nummer, het was het favoriete boek van mijn leraar Nederlands.

En Bordewijk staat niet op het lijstje, terwijl ik dat toch gelezen had. Zal ik het mijn oudste zoon eens cadeau doen, zijn eerste Nederlandse roman?

4 februari 2010

1006

De nacht drukt zwaar, de ernst die over me gekomen is, maakt me somber. Een magisch oog registreert mij en laat de buitenlamp aangaan. Ik zie hoe het licht mijn schaduw vooruit werpt over de sneeuw in de achtertuin. Zelfs 's nachts ontkom je er niet aan. De ironie doet me lachen en ik voel me al lichter worden.

Het is een ervaring die ik wel vaker in mijn leven gehad heb, dat als het me zwaar te moede wordt, er soms maar iets eenvoudigs hoeft te gebeuren om te scharnieren tussen neerslachtigheid en een als nieuw gevoelde monterheid. De Duitse taal kent daar een mooi woord voor: Heiterkeit, een woord dat verwijst naar vrolijkheid, onbezorgdheid, maar ook de helderheid van een onbewolkte hemel. Ieder zwaarmoedig mens zou ter compensatie zich moeten oefenen in Heiterkeit als houding. Als levensvoorwaarde.

De buitenlamp is uitgegaan, alleen als ik beweeg zal het weer aangaan. Ik maak een vrolijk sprongetje en jawel, daar is het weer, evenals mijn schaduw. Weet u, het kan, over de eigen schaduw springen. Probeert u het eens! Pluk de nacht!

29 januari 2010

1005

Ik had gezien dat er dingen op me af konden komen als ongelukken, maar dan in de vorm van geluk. Ik had het geluk af moeten wijzen omdat ik stilstond in een moment waarin ik mezelf had laten vangen. Ik was vergeten dat er niets te winnen viel als je had verloren. Ik fietste door de stad en zag dat iedereen zich had verloren in iemand, sturen in elkaar, wachtend op de val. Dat deed me pijn. Ik had geen medelijden met mezelf maar ik vond mezelf zielig. Een zielig mens. Ik kon niet blijven, daarom ging ik weg. Eerder kon ik niet weggaan, daarom bleef ik. Ik weet niet wat beter was. Ik dacht aan terugkomen. Aan iedereen die op een dag zou terugkomen. Maar ik ben de Messias niet, dus daar ga ik niet op wachten. Misschien kwam ik nooit meer terug. Mijn leven was een fietstocht geworden door straten waar ik had kunnen wonen als alles een beetje anders was gelopen.

Maartje Wortel Love is a horse with one leg
in: De Gids, juli 2009, 576-577

23 januari 2010

1004

Het zal de leeftijd wel zijn. Of wellicht mijn duizendste post en de jaarwisseling die deden terugblikken en vooruitkijken. Wanneer ik denk aan al die boeken die ik nog wil lezen, dan wordt het me zwaar te moede en dan overvalt me het gevoel gebrek aan tijd te hebben. Toch lees ik wellicht meer dan de gemiddelde Nederlander. Ik gebruik de reistijd in de trein naar mijn werk en de pauzes op mijn werk steeds meer om te lezen dan om te schrijven. Thuis kom ik er nauwellijks aan toe met een gezin met drie kinderen, daar treur ik niet om, maar ik heb wel steeds vaker de neiging om voor het slapen gaan nog even te lezen en voordat ik het weet wacht me opnieuw een te korte nacht.

Ik probeer selectiever te worden met wat ik lees. Wil ik die krant nog wel lezen? Wil ik die tijdschriften die ik ter afwisseling lees eigenlijk nog wel lezen? Televisie kijken doe ik al nauwelijks meer, in ieder geval niet voor mezelf, maar vooral samen met de kinderen zo nu en dan. Schaken op de schaakclub is voor mij een avondje ontspanning en een sociale bezigheid die ik niet graag wil missen, maar wie beter wil schaken zal ook boeken over schaken moeten lezen. Wil ik dat nog wel of moet ik maar eenvoudig accepteren dat het toch nooit meer wat wordt met dat schaken? En dan is er nog het lezen van weblogs op internet, wat zal ik daar mee doen? Ook maar terugbrengen tot een minimum?

Zal ik mijn leestempo opvoeren? Doorgaans lees ik boeken die reflectie en terugbladeren eisen. Aantekeningen maken bij de lectuur vertraagt het lezen, maar is voor mij een manier om me te concentreren en de draad vast te houden. Bovendien is schrijven over het gelezene een manier om je de tekst eigen te maken. Het formuleren van mijn gedachten over de tekst, maakt het persoonlijker, verdiept, verrijkt, ordent. Schrijven hoort bij lezen.

De afgelopen weken las ik vooral in de biografie van Hannah Arendt door Elisabeth Young-Bruehl. Een lijvig boek waar ik zeker nog een aantal weken mee bezig zal zijn. Het is sympathiek geschreven en ik denk ook zeer in de geest van Hannah Arendt. Want hoe weinig mededeelzaam Hannah Arendt was over haar privéleven, zo weinig komen we te weten in dit boek over de details van dat leven. Ze had een geheime relatie met Martin Heidegger, maar uit deze biografie kan ik niet opmaken wat er nu precies allemaal gebeurd is. Nee, eerder krijgen we een intense beschrijving van haar levensloop. Met name haar vlucht uit Duitsland voor de nazi's via Frankrijk naar de Verenigde Staten is spannend en indringend. Hannah Arendt was één van de weinigen die inzag dat men niet aan de kant kon staan toekijken. Haar Joodse identiteit heeft daarbij een rol gespeelt, maar zeker ook haar linkse politieke opvattingen en vrienden. Vanaf het moment dat Hitler aan de macht kwam, heeft Hannah Arendt naar wegen gezocht om mensen te helpen vluchten. Eénmaal in Parijs aangekomen zocht ze ogenblikkelijk contact met zionistische organisaties om maar de handen uit de mouwen te kunnen steken, ook al waren haar eigen omstandigheden daarbij slecht. Hannah Arendt komt hierin naar voren als een zeer intelligente en halsstarrige vrouw die een groot vermogen had tot vriendschap. Eindeloos is de rij vrienden en vriendinnen die voorbijkomen in het boek, waaronder vele bekende namen. Was het een schrijvende vriend of vriendin, dan las Hannah Arendt ogenblikkelijk de boeken en vormde zich daar een eerlijke mening over. Hoe oneens ze het ook kon zijn met anderen, ze maakte het nooit persoonlijk en bleef welwillend tegenover haar vrienden en vriendinnen. Hannah Arendt was een groot denker, maar bovenal wist ze te handelen. Het vult elkaar prachtig aan: aan de ene kant dat denken over de politieke situatie in Europa en Palestina, anderzijds altijd maar zoeken naar mogelijkheden om de daad bij het woord te voegen. Ze maakte het zichzelf daarbij niet gemakkelijk, ze ging behoorlijk tegen de tijdgeest in.

Het boek is nog niet uit, ik ben gekomen tot het jaar 1951, het jaar waarin ze doorbrak met haar eerste grote boek The Origins of Totalitarianism. Ik overweeg nu de Nederlandse vertaling ervan te gaan lezen.

16 januari 2010

1003

De laatste vragen van Pascal die ik nog wil beantwoorden: En of je vaak reacties krijgt en wat je ermee doet. En of je zelf vaak andere blogs leest.

Nee, ik krijg niet vaak reacties en zeer zelden inhoudelijke reacties (reacties die me wijzen op spelfouten beschouw ik niet als inhoudelijk). Wel krijg ik zo nu en dan bericht van een enthousiaste nieuwe lezer die me laat weten dat hij of zij hier komt lezen en de website gelinkt heeft. Daar ben ik natuurlijk blij mee. Een enkeling mailt mij geregeld en ik praat met sommige vrienden wel eens over mijn teksten.

Om reacties te krijgen, moet men ook lezers hebben. jwl wordt niet druk bezocht. Ik vermoed dat er een harde kern is van zo'n tien lezers die geregeld langskomen. Daarnaast is er een groep toevallige passanten, soms blijft er één hangen. Hoeveel bezoekers daadwerkelijk mijn teksten lezen, ik heb geen idee. In de beginjaren van deze website lagen de aantallen veel hoger, maar sinds er slechts via e-mail gereageerd kan worden, is de hoeveelheid flink afgenomen. Lezers reageren niet snel via e-mail, ik doe dat zelf ook niet. Bovendien post ik steeds minder vaak en zijn mijn onderwerpen minder alledaags geworden.

Een andere oorzaak voor een laag aantal bezoekers is dat ik zelf steeds minder weblogs lees. Webloggers komen vaak langs uit wederkerigheid: jij leest mij, dan lees ik jou. Als ik afhaak, dan haakt de andere kant ook vaak af. De weblogs die ik lees staan onder 'links' en daar zijn enkele bij die niet hier lezen. Naast dit lijstje ben ik geregeld op zoek naar andere weblogs, maar ik merk dat ik steeds minder tijd wil besteden aan het lezen van weblogs. Kwestie van prioriteiten stellen. Liever ga ik voor de lange adem van een boek dan voor de kortademigheid van internet. Overigens maak ik gebruik van een feedreader, waarmee ik kan zien waar nieuwe bijdragen geplaatst zijn, zodat ik niet onnodig lang aan het zoeken ben naar die ene nieuwe post. Het helpt me een aantal websites echt te volgen in plaats van heel veel websites slecht. De weblogs die ik volg zijn verschillend van aard, maar ik lees ze allemaal graag en om andere redenen.

Natuurlijk vind ik het jammer dat er zo weinig lezers langs komen. Het is niet anders, ik heb geen zin om het karakter van mijn website te gaan veranderen om maar meer lezers te trekken. Ik ben blij met mijn trouwe bezoekers en treur niet om de bezoekers die niet komen. Bovendien, er zijn lezers die rust en stilte vinden in mijn website, complimenten die in de loop der jaren steeds weer voorbij komen. jwl wil graag zo'n plek blijven in de virtuele chaos en daar past nu eenmaal geen tientallen, honderdtallen unique visitors, page loads en returning visitors bij. En mochten de tellers op een dag louter op nul blijven staan, dan schrijft jwl nog altijd voor die ene lezer die ik zelf ben.

8 januari 2010