de eeuwige terugkeer (16)

De exacte datum weten we niet, maar eind juni 1879 vertrekt Nietzsche naar St. Moritz. Na drie weken ellende in Wiesen voelt hij zich hier een stuk beter, hij is aanvankelijk euforisch over St. Moritz. Hij vindt onderkomen in het Pension Helvetia en verzoekt zijn naasten en beste vrienden zijn adres geheim te houden, post moet naar een post restante adres, iets wat Nietzsche nog jaren zal volhouden. Hij wil geen bezoek, alsof bezoek de betovering zou kunnen verbreken. Vreemd is dat, iemand die zo alleen is en voortdurend ziek, wil geen bekenden zien. Zoals hij aan zijn moeder schrijft: Ich vertrage keinen Besuch (KSB 5, 419). Ook hier is Nietzsche veel ziek, maar het zijn de omstandigheden, het eten, de lucht, datgene wat hij omschrijft als einer einfachen und natürlichen Lebensweise, die het schijnbaar dragelijk maken. En ook hier besteed Nietzsche veel tijd aan wandelen (Diese herrlichen Wälder! Ich bin 7-8 Stunden im Freien.) en noteert de St. Moritzer Gedanken-Gänge, hetgeen Der Wanderer und sein Schatten zou worden.

Het is niet alleen zijn gezondheid die hem noodzaakt er een sobere levenswijze op na te houden. Niezsche leeft zonder inkomsten uit werk, slechts met een klein pensioen en ondersteunende giften moet hij zien rond te komen. Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en blijft zelden lang op een plek. Het reizen en het vervoer van zijn bezittingen kost veel. Nietzsche schrijft niet over hotels, maar verblijft in pensions. Hij bezoekt geen restaurants, maar bereidt zijn eten op zijn kamer. Ich wohne ganz für mich und esse im Zimmer (wie in Basel, auch fast dieselben Dinge (nur keine Feigen), fast kein Fleisch: aber viel Milch. Es thut gut. Hier will ich lange bleiben. Aber verbirg ängstlich meine Adresse, sonst muß ich fort (KSB 5, 421), schrijft Nietzsche aan zijn zuster. Als de plaatselijke levensmiddelen te duur zijn, schroomt Nietzsche niet ze van elders te laten opsturen. Zo had hij in Wiesen nog honderdvijftig beschuiten laten bakken en via mevrouw Rothpletz krijgt hij levensmiddelen uit Zürich toegezonden. Wanneer hij bij zijn moeder informeert naar de prijs van een kist met drie kilo Brown College is dat het begin van de zendingen befaamde kisten met levensmiddelen die de komende tien jaar geregeld opduiken in de correspondentie.

Zo is Nietzsche dan voortdurend op zoek naar een prettig klimaat voor zijn gezondheid, een menu dat zijn maag aankan en kostenbesparingen die zijn werk- en thuisloze leven mogelijk moeten maken. Het is in dit licht misschien niet verwonderlijk dat Nietzsche schrijft over een eenvoudig leven, de wereld als klooster voor vrije geesten. Hij projecteert als het ware zijn ziekte op de cultuur van zijn tijd en wanneer hij in de vormgeving van zijn leven zijn eigen arts wil zijn, zo lijkt hij filosofisch op zoek naar een diagnose van de wereld waarin hij leeft. Wanneer Nietzsche in 1886 in een herdruk van Menselijk, al te menselijk op deze tijd terugkijkt, schrijft hij in het nieuwe voorwoord:

Toen pas leerde ik de kluizenaarstaal, waarin alleen extreme zwijgers en lijders goed thuis zijn: ik sprak, zonder getuigen, of liever, onverschillig ten aanzien van getuigen, om niet onder het zwijgen te lijden, ik sprak louter over zaken die me niets aangingen, maar zó alsof ze me wel iets aangingen. Toen leerde ik de kunst, me monter, objectief, nieuwsgierig, vooral gezond en boosaardig voor te doen, en bestaat bij een zieke hierin niet, zoals me voorkomt, zijn 'goede smaak'?
(...)
Misschien is dit juist voor onze pessimisten een wenk om zichzelf eens te onderzoeken? want het was in die tijd dat ik mezelf de stelling ontwrong: 'iemand die lijdt heeft nog geen recht op pessimisme!', in die tijd ondernam ik met mijzelf een langdurig-geduldige veldtocht tegen onwetenschappelijke grondhoudingen van elk romantisch pessimisme, om bijzondere persoonlijke ervaringen tot algemene oordelen, en zelfs veroordelingen van de wereld, op te blazen en als zodanig uit te leggen... kortom, in die tijd draaide ik mijn kijk op de dingen om. Optimisme ten behoeve van het herstel, om vroeg of laat weer eens pessimist te mogen zijn begrijpen jullie dat? Net zoals een arts zijn patiënt in een volkomen vreemde omgeving neerzet, zodat hij van zijn hele 'tot dusverre', zijn zorgen, vrienden, brieven, plichten, domheden en geheugenmartelingen weggerukt wordt en zijn zijn handen en zinnen naar nieuw voedsel, nieuwe zon, nieuwe toekomst leert uit te strekken, zo dwong ik, arts en patiënt in één persoon, mezelf tot een omgekeerd, onbeproefd zielsklimaat en met name tot een wegtrekkende omzwerving in den vreemde, in het vreemde, tot een nieuwgierigheid naar alle vreemde dingen van alle soorten... Een lang rondtrekken, zoeken, veranderen kwam hieruit voort, een afkeer van alles wat blijvend en vast is, tegen elk botweg bevestigen en ontkennen; en ook een diëtetiek en discipline die het de geest zo gemakkelijk mogelijk wilden maken om ver te snellen, hoog te vliegen, en bovenal, steeds weer weg te vliegen. Eigenlijk een minimum aan leven, een ontketening van alle grovere begerigheden, een onafhankelijkheid in weerwil van allerlei ongunstige invloeden van buitenaf, en bovendien de trots, te kunnen leven onder deze invloeden; (...) Het leven zelf beloont ons voor onze taaie wil tot leven, voor zulk een lange oorlog als ik destijds met mijzelf tegen het pessimisme van de levensmoehoed voerde, het beloont ons al voor elke oplettende blik van onze dankbaarheid die ook de kleinste, teerste, vluchtigste geschenken van het leven niet versmaadt. We krijgen daar ten slotte de grote geschenken van het leven voor, misschien ook het grootste dat het geven kan, we krijgen onze taak weer terug. ––

Friedrich Nietzsche Menselijk, al te menselijk, 291-292