Nu het voorbij is, ben ik blij dat ik het heb meegemaakt. Wellicht omdat de intensiteit niet levensgevaarlijk was. Ik kon, terwijl ik overmand werd door gevoelens van ontreddering, tegelijkertijd signaleren dát ik me in een wanhopige toestand bevond en ik vroeg me af of dit nu een toestand was die men een depressie noemt.

Het was alsof het leven ophield aan de grens van mijn huid. Achter mijn gesloten ogen raasden destructieve gedachten die ik niet meer kon ombuigen. Alle redelijkheid was door mijn porieën naar buiten geperst. De wereld buiten mij ervaarde ik als vijandig en volkomen zinloos. Niets zou me nog weten te motiveren om uit bed te komen. Ik was een overbodig mens geworden, verlaten in een overbevolkte woestijn. Het was geen onverschilligheid, zeker niet, maar eerder een verdrinken in een diep bad van somberheid en woede. Ik zweefde enige tijd in een oneindig niets en was doodmoe.

Gelukkig kon de buitenstaander die ik was geworden me uit bed slepen en een boterham voor me smeren. Koffie sloeg ik over en voor het eerst in jaren las ik niet tijdens de treinreis naar mijn werk. Alle lectuur kon me gestolen worden. De bezorgde gezichten van mijn collega's interesseerden me niet, ik sloot me af met een koptelefoon op mijn hoofd. Het was de muziek van Bach en het telefoontje dat ik wederom oom was geworden, dat langzaam maar zeker de mist in mijn hoofd deed oplossen.

Vierentwintig uur leefde ik in een wereld die langzaam verkruimelde. Het was niet het bewustzijn van deze toestand die me verontruste, maar de uren dat ik machteloos moest toezien en ondergaan, uren waarin ik mezelf buitensloot. Uiteindelijk wist ik me bij de haren uit het moeras te trekken. De buitenstaander had zichzelf weer binnen gelaten.

Dagen heb ik gezocht naar de woorden om deze ervaring over te brengen. Ik vond ze niet. Gelukkig maar, want de juiste woorden zouden ongerijmd zijn. Nu geniet ik van de stilte na de storm.