Ik lees nog steeds in Totalitarisme van Hannah Arendt, een boek dat me fascineert. Niet alleen omdat het inzicht verschaft over de donkere jaren in de twintigste eeuw, maar ook omdat het mijn blik scherpt op de extreem rechtse tendensen in de Nederlandse politiek. Vele passages zou ik in dit verband hier willen overschrijven, maar laat ik me beperken.

Het was tekenend voor de opkomst van de nazibeweging in Duitsland en van de communistische bewegingen in Europa na 1930, dat ze hun leden rekruteerden uit deze massa van kennelijk onverschillige mensen, aan wie andere partijen geen aandacht meer besteedden omdat ze hen opgegeven hadden als te apathisch of te dom. Het resultaat was dat de meerderheid van hun leden bestond uit mensen die voordien nooit op de politieke scène verschenen waren. Hierdoor kon men totaal nieuwe methoden in de politieke propaganda invoeren en onverschillig blijven voor de argumenten van politieke tegenstanders; deze bewegingen plaatsten zich niet alleen buiten en tegenover het partijsysteem in zijn geheel, hun leden bestonden vooral uit mensen die door het partijsysteem nooit werden bereikt noch 'bedorven'. Daarom hadden ze er geen behoefte aan de argumenten van hun tegenstanders te weerleggen en verkozen ze systematisch doodsbedreigingen boven pogingen tot overreding, terreur boven overtuiging. Meningsverschillen hadden volgens hen altijd diep natuurlijke, sociale of psychologische wortels, waardoor ze dus aan de controle van het individu en aan de macht van de rede ontsnapten. Dit zou een tekortkoming geweest zijn, als die bewegingen op een eerlijke manier met andere partijen in competitie waren getreden; maar aangezien ze wisten dat de mensen met wie ze te maken hadden, alle partijen even vijandig gezind waren, bleek het geen tekortkoming te zijn. (...) De bewegingen nu brachten iets aan het licht wat geen enkel ander orgaan van de publieke opinie ooit duidelijk had kunnen maken, met name dat de democratische regering evenzeer steunt op de zwijgende instemming en tolerantie van de onverschillige en ongestructureerde lagen van de bevolking als op de gestructureerde en zichtbare instellingen en organisaties van het land. Als de totalitaire bewegingen dus het parlement binnendrongen, met hun minachting voor de parlementaire regering, wekten ze alleen de indruk inconsistent te zijn: in feite lukte het hen een groot gedeelte van de bevolking ervan te overtuigen dat parlementaire meerderheden vals zijn en niet noodzakelijk een afspiegeling vormen van de werkelijke verhoudingen in het land; op die manier ondermijnden ze het zelfrespect en het vertrouwen van de regeringen, want ook die geloofden eerder in de heerschappij van de meerderheid dan in hun grondwet.

Hannah Arendt Totalitarisme, 74-76