No way

van ijs en agaat is het verdict
van je ogen. kilte blikt de adem in.
geen plek om ooit, geen ruimte
in zicht. nergens bergt men zich.

zijige wimpers verhullen het niet,
het niemand dat zich opengooit
in het plasma van het bloed.
snaren trillen in het licht, laten

het leven dwalen, zwart bedekt
het laken, je schaduw hapert
en weemoed lekt de kamer uit.

een dunne stilte weeft ons samen.
je draalt, je kwijnt, ik wil bewaren.
ik stok. ik zal je komen halen.

Marleen de Crée Hinkelspel, 23