Adriaen Koerbagh stierf in 1669 in het Tucht-Huys, ook wel het Rasphuis genaamd, aan de Heiligeweg te Amsterdam. De poort staat er nog steeds, tegenover de Voetboogstraat, alwaar ik vanuit de rij voor Vleminckx altijd een mooi uitzicht heb op deze poort. Het was deze Koerbagh die me deed lachen door een citaat in Jonathan I. Israels studie Radicale Verlichting. De gebroeders Koerbagh worden hier opgevoerd als voorlopers van de Verlichting die pas in de 18e eeuw echt zal losbarsten. Adriaen moest zich voor de zoveelste keer verantwoorden voor een Amsterdamse kerkeraad in verband met zijn Godslasterlick geschrift, genaamd het Ligt schijnende in Duystere Plaatsen. De redenering waar ik om moest lachen, moest ik wel tweemaal lezen, het is geen hedendaags Nederlands, maar toen ik de flauwiteit ervan doorhad, lag ik dubbel van het lachen. Elke keer dat ik nu een frietje haal in de Voetboogstraat zal ik aan deze grap moeten denken.

Jezus, zo beweert Adriean, was een mens en geen god, 'so dat valsch is datmen leert en segt dat hy voor ons gestorven is, 't is wel waar ten aansien van de tijd dat hy voor ons dat is eerder gestorven is'.

Jonathan I. Israel Radicale Verlichting, 215