de eeuwige terugkeer (17)

De zomermaanden van 1879 verblijft Nietzsche in Sankt Moritz. Sankt Moritz ligt in het noordoosten van het Engadindal, op ongeveer 2000 meter het hoogst gelegen dal van Zwitseland. Tot aan zijn ineenstorting tien jaar later, zal Nietzsche over dit gebied zeer enthousiast zijn, alsof hij een tweede vaderland gevonden had. Met name het plaatsje Sils Maria, dat ten zuidwesten van Sankt Moritz ligt, voorbij het Silvaplanameer (waar Nietzsche enkele jaren later zijn gedachtenexperiment van 'de eeuwige terugkeer van hetzelfde' zal formuleren), zal later een thuis voor hem worden.

In deze maanden voltooide Nietzsche het manuscript van Der Wanderer und sein Schatten, geschreven met potlood in aantekenboeken van zakformaat die hij steeds meenam op zijn vele wandelingen. Begin juli schrijft hij aan zijn moeder:

Wälder, Seen, die besten Spazierwege, wie sie für mich Fast-Blinden hergerichtet sein müssen und die erquiklichste Luft – die beste in Europa – das macht mir den Ort lieb. Aber krank bin ich so viel wie überall, es geht mir so wie im Herbst in Naumburg, jeden zweiten Tag muß ich zu Bett zu bringen. Doch halte ich es hier besser aus, während ich anderwärts, namentlich in Basel, an der Grenze der Verzweiflung war.

An Genesung ist gar nicht zu denken, es ist sehr viel, wenn ich es erträglicher habe.

Ich wohne still, habe gute Milch und Eier.

KSB 5, 424

De beste lucht van Europa, maar toch voortdurend ziek. Migraines, braken, diarree, het bed moeten houden, familie en vrienden ver weg, beperkte financiële middelen, je vraagt je af hoe hij het volhoudt. Schijnbaar waren er geen medicijnen voor zijn kwaal en het experimenteren met zijn dieet bracht wellicht verlichting, maar geen soelaas. Wat hield Nietzsche op de been? Zeker niet het christelijke geloof van zijn ouderlijk huis. Waar haalt hij zijn optimisme vandaan, het optimisme waar hij in 1886 terugblikkend over schreef (zie de vorige aflevering)?

Nietzsche was filoloog en had zich in zijn universitaire carrière vooral bezig gehouden met de Hellenistische periode, de periode tussen de dood van Alexander de Grote in 323 en de Romeinse bezetting van Griekenland in 146 v.Chr. Het is de tijd van de cynici, de stoïcijnen, de epicureërs en de sceptici. Een centraal begrip in deze scholen was ataraxia dat stond voor onverstoorbare rust, gemoedsrust, sereniteit en de wijsheid om dit te bereiken. Hoe behoud je je gemoedsrust ondanks alles? Voor Nietzsche waren de verschillen tussen de bovengenoemde scholen niet groot, hij zag alleen verschillen in temperament.

In zijn aantekenboeken vinden we passages als De troostmiddelen van het christendom zijn binnenkort een antiquiteit; een olie waarvan de geur is vervlogen. Dan treden de troostmiddelen van de antieke filosofie weer op de voorgrond, in een nieuwe glans – en daar komt ons nieuwe soort troostmiddelen bij, de historische (N IV 1, juli 1879, 41[32]), Ik heb de zalfpotten en medicijnflessen van alle antieke filosofen nodig (N II 6, voorjaar-zomer 1878, 28[41]) en Golven – er op een rustige zomerdag aan de kant van genieten – het tuin-geluk van Epicurus (N II 7 zomer 1878, 30[31]).

Epicurus, een naam die vaker voorkomt en wellicht zou het lezen van Epicurus een licht werpen op De reiziger en zijn schaduw. Is het de filosofie van Epicurus waarmee Nietzsche zijn optimisme 'forceert' in donkere tijden? De filosoof van de lust, het hedonisme (niet in de hedendaagse betekenis overigens) spoorde zijn lezers aan om fysieke pijn en onlustgevoelens naar de achtergrond te drukken door er lustgevoelens tegenover te stellen. Dat kunnen ook simpelweg aangename herinneringen zijn. Het heeft een element van 'pluk de dag', morgen kun je dood zijn. Het is eveneens een aansporing om je eigen geluk in de hand te nemen. Epicurus' optimisme komt voort uit een pessimisme.

Er zijn veel fragmenten in deze tijd bij Nietzsche die aan Epicurus doen denken, zonder dat Nietzsche hem noemt. Soms met enige moeite herkenbaar, maar toch lijkt Epicurus voortdurend op de achtergrond aanwezig. Zoals in de volgende aantekening: Redenen in plaats van gewoontes, oogmerken in plaats van driften, kennis in plaats van geloof, geestelijk-psychische blijmoedigheid in plaats van talrijke losse genietingen, evenwicht van alle bewegingen en plezier in die harmonie in plaats van opwinding en bedwelming – en later alles weer onbewust wordend!! (N IV 1, juli 1879, 41[48]). Daarnaast noemt Niezsche hem soms heel nadrukkelijk zijn held. Het volgende aforisme uit De reiziger en zijn schaduw is in dit verband overduidelijk. Bij het lezen zie ik Nietzsche zitten op de helling van een berg langs een wandelpad, genietend van de beginnende avondkoelte, uitkijkend over het dal met wellicht Sankt Moritz in de nabijheid, potlood en schrift in de hand.

295
Et in Arcadia ego. – Ik zag naar beneden, over heuvelgolven, de kant van een melkgroen meer uit, tussen sparren en waardige oude dennen door: allerlei stukken rots om mij heen, de grond vol kleurige bloemen en grassen. Een kudde bewoog, strekte en rekte zich voor mij uit; afzonderlijke koeien en groepen koeien verder weg, in het scherpe avondlicht, naast het kleine naaldbos; andere dichterbij, donkerder; alles in rust en avondlijke verzadiging. De klok wees tegen half zes. De stier van de kudde was in de witte schuimende beek gestapt en volgde traag weerstrevend en toegevend haar loop, steil naar beneden: daar had hij zeker zo zijn grimmige plezier in. Twee donkerbruine wezens, van Bergamaskische herkomst, waren de herders: het meisje bijna als jongen gekleed. Links rotshellingen en sneeuwvelden boven brede woudgordels, rechts twee reusachtige beijsde pieken, hoog boven mij, zwevend in de sluier van het zonnewaas, – alles groot, stil en helder. De schoonheid van het geheel van haar openbaring; onwillekeurig, alsof het natuurlijkste zaak van de wereld was, zette men in deze zuivere, scherpe wereld van licht (die totaal niets verlangends, verwachtends vooruit- of achteromkijkends had) Griekse heroën neer; men moest wel zo voelen als Poussin en zijn leerling: heroïsch en idyllisch tegelijk. – En zo hebben bepaalde mensen ook geleefd, zo hebben zij zich voortdurend in de wereld, en de wereld in henzelf gevoeld, en onder hen één van de grootste mensen, de uitvinder van een heroïsch-idyllische wijze van filosoferen: Epicurus.

Friedrich Nietzsche Menselijk, al te menselijk, 534-535