Twee wegen tekenen zich af voor de toekomst. De ene is die van voortgaan en de nadelen voor lief nemen, afwentelen of proberen te minimaliseren, vertrouwend op ons vernuft. De andere is die van zich rekenschap geven dat men in materieel welvaartsopzicht boven zijn stand leeft en dat er meer is dan materiële zaken en tijdelijke genietingen. De weg dus van zelfbeperking en solidariteit met de ander, met name de derde wereld. Eerstgenoemde weg is voortzetting van de gedachte dat we in staat zijn alle problemen op te lossen en ons welvaartsniveau ook aan anderen deelachtig te maken als we hen helpen zich te ontwikkelen. Maar dat gaat uit van de veronderstelling dat menselijk geluk en het goede leven voornamelijk afhangen van de mate waarin men kan beschikken over goederen en diensten die het leven onderhouden en comfortabel maken. Dat dit een wezenlijk onderdeel is van en voor ons bestaan is evident, maar waar is het einde van die 'onbegrensde' behoeften, en wat zijn die precies en hoe ontstaan ze? Er is alles vóór dat men zich tracht te verbeteren, maar tot hoever en ten koste van wie of wat? Het is ondenkbaar dat de aarde het welvaartsniveau van de westerse mens voor allen kan dragen. Die fictie van de moderniteit is ontmaskerd door de keerzijden ervan. (...) We kunnen niet alles oplossen en we weten te weinig van de lange termijn gevolgen van de oplossingen die we dachten te hebben. Ik zie het als noodzakelijk dat we de tweede weg trachten te ontwikkelen. Een weg die dè oplossing niet biedt, maar uitgaat van de waardigheid van de mens en de verantwoordelijkheid van een ieder voor de ander en voor de geschonken orde. Op die wijze alleen kan een mentale verandering gestalte krijgen die de basis vormt van een ander gedrag in het benutten en het beschikken over datgene wat ons allen toebehoort en aan allen is geschonken. Wat nodig is, is dat we anders gaan denken en vandaar uit anders doen.

Cees Veerman Nostalgie of gelouterd realisme: een reflectieve beschouwing over de moderne landbouw
in: Filosofie 19/6, 46

Verrassende woorden van de oud-minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg en Wageningen waar hij zich onder andere bezighoudt met duurzame plattelandsontwikkeling vanuit Europees perspectief. Jammer dat ik hem tijdens zijn ministerschap nooit op een dergelijke visie heb kunnen betrappen. Grappig om in dit citaat hier en daar de christendemocratische achtergrond te zien bovenkomen in fragmenten als de verantwoordelijkheid van een ieder voor de ander en voor de geschonken orde (geschonken orde?) en het benutten en het beschikken over datgene wat ons allen toebehoort en aan allen is geschonken. Hier proeft men het christelijke rentmeesterschap. Afgezien van deze details, kan ik aardig meegaan met de strekking van zijn betoog, al zou het een verademing zijn wanneer hij zijn politieke schrijfstijl zou afleren.