De trein rijdt door het landschap van mijn jeugd. In de verte zie ik de weg waarlangs ik vroeger naar de middelbare school fietste. Ik zie oude decorstukken uit een al lang afgelopen toneelstuk en ik verbaas me erover dat ze er nog staan. Het is niet alleen de afstand in de tijd, maar ook de afstand tot de plekken waar ik toen mijn weg ging, dat me een vervreemdend gevoel geeft. In het zonovergoten landschap herken ik de kerken op de terpen, de boerderijen en het vee op het land, de dorpjes. Daar, op een afstand van vier of vijf kilometer, zie ik de kerktoren van het dorp waar ik mijn kindertijd en mijn jeugd doorbracht.

Het is de horizon waar ik naar terugverlang. Ik heb gespeeld met de gedachte om weer in Friesland te willen wonen. Hier zou ik de alleenzaamheid, stilte en ruimte makkelijker vinden, maar het is hopeloos er een baan te vinden en ik zou er te ver weg wonen van mijn kinderen. Daarnaast zou ik de mogelijkheden van de Randstad missen en zou ik het ongemak en ergernissen die daarbij horen missen. Friesland zou voor mij geen keuze zijn, maar een vrijwillige gevangenis. Nee, ik ben al te zeer geoefend in het cultiveren van mijn alleenzaamheid om de leegte van het noorden nodig te hebben. Daar zou mijn alleenzaamheid eenzaamheid worden.

De trein nadert het eindstation en ik pak mijn tas om mijn boek op te ruimen. Ik had het de hele tijd op mijn schoot liggen met een vinger tussen de bladzijden. Nu pas realiseer ik me glimlachend hoe toepasselijk de titel op mijn mijmeringen is: Bronnen van het zelf van Charles Taylor.