Hoe lang zou ik het nog volhouden om daar te staan op dat koord tussen twee torens? Ik wil nog niet naar de overkant en als ik omkijk, zie ik het deurtje waardoor ik gekomen ben, het zit potdicht. Ik verbaas mezelf over de kracht die ik schijnbaar heb om zo lang het evenwicht te bewaren en niet naar beneden te storten. Ik houd de balans stevig vast, maar de stok wordt elke dag zwaarder. Soms kijk ik naar de hemel en hoop op hulp, maar ik zie louter een hemel met sterren. Who can turn skies back and begin again?, hoor ik Peter Grimes in mijn hoofd zingen. Who can turn skies back and begin again?

Stilte. De zon komt op en ik verwacht de mensen die hier elke dag komen op de markt beneden mij. Vrienden die mij zullen toeroepen dat ik door moet lopen naar die andere toren. En al die onbekenden die me hoofdschuddend uitlachen, maar verder onverstoorbaar overgaan tot de orde van de dag. Collega's die me er vriendelijk op wijzen dat er zoveel werk op me ligt te wachten. Ik zoek mijn kinderen en hun moeder, maar ik zie ze niet. Ik vraag aan mijn vrienden of ze weten waar ze zijn en ze antwoorden dat ze waarschijnlijk op de camping zitten.

Ik word er gek van, ik val bijna, ik wil bijna vallen, maar ik weet net mijn evenwicht te bewaren door een paar stappen vooruit te doen. Zo nader ik langzaam maar zeker, tegen mijn wil, toch de andere kant.

Op een ochtend ging achter mij het deurtje open. Een lange man met zwart haar, gekleed in een toga, geschminkt als een clown, kwam te voorschijn. 'Zou je nou niet eens opschieten,' beet hij me toe met een ijselijke stem, 'dit duurt toch werkelijk veel te lang! Moet ik je soms even helpen? Moet ik je een duwtje geven of kietelen?' Ik herkende hem, het was de duivel zelf. Hij kwam luid krijsend op me af rennen over het touw, sprong over me heen en verdween aan de andere kant in de toren. Ik verloor mijn evenwicht.

Ik zag mezelf liggen daar beneden. Ik keek en zag hoe ik mijn ogen opende. 'Wat doe jij hier,' vroeg ik mezelf, 'je wist toch allang dat de duivel je eens een beentje zou lichten? Pas maar op dat hij je niet naar de hel sleept!' Ik antwoordde, dat er geen duivel en geen hel is, net zo min als er een god en een hemel is en dat mijn ziel nog eerder zou sterven dan mijn lichaam. Wat verlies ik als ik het leven verlies?

Ik dacht aan mijn kinderen, nadat een deel van mij daar beneden gestorven was. Het werd avond. Het werd nacht. Ergens in de verte zag ik een bliksem oplichten, maar de donder kon ik niet horen. De torens waren weer gesloten, het is nog te vroeg om de overkant te bereiken. Naargeestig is het menselijk bestaan en nog altijd zonder zin: een clown kan het noodlottig worden. Hoe lang zou ik het nog volhouden, daar tussen die twee torens?

(vrij naar Friedrich Nietzsche, Zarathoestra's Voorrede 6 en 7)