Het schelpenpad ontrolt zich voor mijn voeten. De witte lijn voert me in de nacht door een bos dat verfrist nadruppelt van de regen. In de verte zie ik een knipperende lantaarnpaal onder het bladerdak van een boom. Als ik dichterbij kom, doemen in het schijnsel van het licht de contouren op van twee schaduwen. Een man en een vrouw zitten naast elkaar. Ik volg mezelf, het geknars van de schelpen wordt steeds luider, de schaduwen kijken verschrikt op. Ze rennen weg, ieder een kant op. Ik kijk naar de stoelen die achterblijven: er zitten scheuren in de zittingen. De ene is afgeplakt met tape, op de andere ligt een appel waar al een hap uit genomen is. Een worm probeert te ontsnappen.

We gaan zitten en kijken naar het pad dat we achter ons hebben gelaten. Na een kort zoemend geluid knapt het licht van de lantaarn uit. Het is nu aardedonker. We luisteren naar de onmetelijke stilte terwijl het vocht van de bomen op de dode bladeren blijft druppelen. Het bos lijkt te huilen om de verloren onschuld. Het is prachtig. Het is subliem. Het is droef.

Als ik na lange tijd omhoog kijk, zie ik de maan tussen de wolken verschijnen én, o wonder, een vallende ster. Doe een wens en vertel het aan niemand, klinkt het achter mij. Geschrokken spring ik op en zie nu pas het meertje achter de boom en de lantaarn, verscholen in de mist. Nee, geen mist, het water dampt en tussen de flarden stoom ontwaar ik het absurde beeld van mensen die ronddobberen op zwembanden. Twee spelen schaak op een drijvend bord, twee kijken toe. Verderop begint een vrouw te declameren uit een boek – then on the shore of the wide world I stand alone! – en de man die mij aansprak, lacht mij vanachter zijn duikbril toe. Doe een wens, zegt hij nogmaals en vertel het aan niemand. Ik ben sprakeloos, ik weet niet wat ik zie, ik weet niet wat ik moet zeggen. Zo sta ik daar te staan, minutenlang, terwijl zij daar maar schaak spelen, Keats declameren en de duikbril me aanstaart.

Het surrealisme wordt ineens doorbroken door het geluid van iemand die het water instapt. (Ik ben het zelf!) In de ene hand houdt hij een kaars vast en met de andere probeert hij de vlam te beschermen. Hij waadt met het water tot aan zijn middel naar de overkant, de tijd duurt eindeloos. Dan zet hij de nog brandende kaars op de oever. Iedereen begint te applaudisseren. De vlam dooft.

De mensen in het water zijn verdwenen, alleen de schaakstukken drijven nog verloren rond. Het licht van de lantaarn springt weer aan. Een elektricien klimt naar beneden, tilt de trap op zijn schouder en met een prettige nacht verder verdwijnt hij over het schelpenpad het donker in. Ik zie hoe de bladeren van de boom vanonder beschenen worden door het nieuwe heldere licht. Er steekt een frisse wind op en op de terugweg denk ik nog: het is een perenboom.