Ik doe de televisie uit, ruim de dvd op en ga nog even roken in de carport. Het heeft geregend, de bomen druppelen nog na. Het is de stil in de wijk. Licht achter gordijnen verraadt, dat er meer mensen het bed nog niet hebben opgezocht. De geparkeerde auto's zwijgen in het donker, ook zij lijken bij te komen van een drukke dag. Een lantaarn schijnt onder het bladerdak van een boom.

De beelden van de film werken nog na in mijn hoofd. Het lijkt wel of de wereld zich aan deze beelden aanpast. De films van Bela Tarr zijn momenteel eigenlijk te somber voor mij. Films in grijstinten, in desolate landschappen en steden, waar het eeuwig lijkt te regenen, waar de accordeon in het café altijd dezelfde melancholieke muziek speelt. Tot aan het einde der tijden. Het universum van Schopenhauer in beelden gevat?

Maar het zijn niet alleen de beelden die ik zo prachtig vind. Het is de wijze waarop de beelden gevangen zijn door de camera. Oneindig durende shots van een traag bewegende camera, zo traag soms, dat de camera de acteurs lijkt kwijt te raken. Een camera die achter de feiten aanloopt, die zich niet laat haasten, die rustig het getekende leven registreert. Zo komt de wereld van de gebouwen en de voorwerpen tot leven, alsof zij net zo goed een rol hebben in de film. Zo kijken we naar een muur waarop het vocht van de regen zich verspreid. Naast de uitzichtloze levens van de mensen toont zich de zwijgende wereld. Het doet bij mij een gevoel van sereniteit en melancholie ontstaan.

Transcendentie? Metafysica? Speelgoed voor volwassenen om te fantaseren en orde te scheppen in een chaotische wereld. Het leven kan mooi en geweldig zijn, maar uiteindelijk is het tragisch. Deze tragiek vind ik terug in de films van Tarr. Maar Tarr dramatiseert niet, hij registreert met een scherpe en milde blik. Niks Schoonheid, niks Transcendentie, Tarr neemt ons bij de hand en toont ons hoe we ook kunnen kijken. Kijk dan, zo is het leven dat ik aantref, het is niet mooi, het is niet diep, het is zoals het is. Het speelkwartier is voorbij: kijk, voel, proef, luister, ruik aan het leven.

Ik poets mijn tanden, doe de gordijnen dicht en het licht uit. Wanneer ik de trap opga naar zolder, stel ik de vraag van Nietzsche die ik mezelf zo vaak stel: hoeveel werkelijkheid kan een mens aan? Hoe diep kan een mens in de afgrond kijken zonder te vallen? Inderdaad 'Geloof is nodig', maar niet zozeer om zin te geven aan ons bestaan, maar om er niet ten gronde aan te gaan. 'Geloof' is geen keuze, het is een noodzaak, overleving, een primaire levensbehoefte. Met deze gedachten ga ik in bed liggen en kijk nog eens de kamer rond. Het zwijgen van de voorwerpen in het duistere licht. De afwezigheid van een werkelijkheid achter de werkelijkheid is geruststellend. Ik 'geloof' in die stilte, de stilte die je soms pas opvalt als je de televisie uitschakelt. Gute Nacht, du Weltgetümmel.