Het boek staat op de lessenaar van de piano. J.S. Bach / Die Kunst der Fuge / Cembalo (Klavier) / URTEXT / G. Henle Verlag. Ik kreeg het ooit van vrienden voor mijn vijfentwintigste verjaardag. Het staat nog op de titelpagina geschreven: Zeist, za. 17 okt. 1992 van ... en dan volgen de namen van de gevers.

Ik blader door naar het eerste stuk, Contrapunctus 1. Ik heb dit eerste deel al zo vaak gestudeerd en gespeeld. Met potlood staan de inzetten van het thema in de verschillende stemmen aangegeven. Natuurlijk, Die Kunst der Fuge staat bekend om zijn structuur, complex en tegelijkertijd helder, en met enige moeite kan ik de opbouw ontrafelen. Bij een dergelijke analyse krijg ik inzicht in de zinnen van de muziek, de interpunctie, de ademhaling, de climax of de anticlimax enzovoort enzovoort. Als ik deze structuur dan enigszins helder voor ogen heb, dan gooi ik het allemaal overboord en dan ga ik muziek maken, een verhaal vertellen. – Een dergelijke analyse is overigens geen voorwaarde om muziek te maken, het is geen doel op zich, maar ik denk dat het wel zinvol kan zijn om het verhaal beter en spannender te vertellen.

Zoveel musici, zoveel interpretaties en het kan zelfs zo zijn dat een musicus elke keer een andere interpretatie speelt. Een uitvoering van een muziekstuk is nooit tweemaal dezelfde. De noten blijven hetzelfde, maar elke uitvoering is verschillend. Zoals bij het schaken de beginstelling altijd dezelfde is, maar uiteindelijk zal het spel anders verlopen dan alle voorgaande partijen. Elke uitvoering van een muziekstuk is een interpretatie. Het idee dat je de muziek zou moeten spelen zoals 'de componist het bedoeld heeft' is een interessant streven, maar uiteindelijk praktisch onmogelijk. Het is een illusie te denken dat er ergens een enige juiste uitvoering van een muziekstuk verborgen is en dat een musicus achter die uitvoering dient te komen.

Soms denk ik wel eens dat het met de wereld, de werkelijkheid, net zo gesteld is. We kunnen deze fenomenale wereld alleen maar interpreteren. Wetenschap kan proberen de wereld te structureren, wetmatigheden proberen te ontdekken, zoals we een muziekstuk kunnen lezen en analyseren. Daarmee is de wereld nog niet tot leven gebracht, we moeten er nog muziek van maken. De vraag is echter wat we interpreteren en onderzoeken en wie dat eigenlijk doet. Want zijn we voor onszelf niet net zo ongrijpbaar als de zintuigelijke werkelijkheid? In hoeverre is het beeld dat we van onszelf hebben niet ook slechts interpretatie? Vele bevolkingsgroepen menen te weten wie de componist van de wereld is en menen te weten wat de componist exact bedoeld heeft met zijn schepping. Zij proberen daarnaar te leven. Maar over welke compositie hebben zij het dan? Waar bij Bach het boek en de noten steeds dezelfde blijven, daar is de werkelijkheid een voortdurend stromen en wat gisteren waar was, is morgen een leugen. Het is onzinnig om in termen van waarheid te spreken over iets wat niet grijpbaar is. De enige zin die het zou kunnen hebben is, vermoed ik, een psychologische. Wat rest is muziek maken zonder noten.

(...) er bestaat maar één wereld, en die is onecht, wreed, tegenstrijdig, verleidelijk, zonder zin... En een wereld die er zo uitziet is de ware wereld... Wij hebben de leugen nodig om over deze realiteit, deze 'waarheid' te zegevieren, dat wil zeggen om te leven... Dat de leugen nodig is om te leven, hoort zelf nog bij dit vreselijke en twijfelachtige karakter van het bestaan...

(...)

(...) de mens [moet] al van nature een leugenaar zijn, hij moet vóór alles kunstenaar zijn... En dat is hij ook: metafysica, moraal, religie, wetenschap – allemaal slechts uitwassen van zijn wil tot kunst, tot leugen, tot vlucht voor de 'waarheid', tot ontkenning van de 'waarheid'. Dit vermogen zelf, dankzij welk hij de realiteit door de leugen geweld aandoet, dit kunstenaarsvermogen par excellence van de mens – dat heeft hij ook nog eens met alles wat is gemeen: hij is zelf immers een stuk werkelijkheid, waarheid, natuur – hij is zelf ook een stuk genie van de leugen...

Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten dl. 7, 162