Wanneer ik op een avond laat de zolder opga, zie ik hem weer zitten. Hij zit achter zijn bureau en kijkt mij treurig aan. De laptop toont het noorderlicht, op de leesplank ligt een lijvig boek. Uit de pen in zijn hand en het opengeslagen dagboekje op het bureau maak ik op dat hij aan het schrijven is.

We kijken elkaar lang en stil aan. Wat moet ik toch met hem? Hoe haal ik de ruis en de somberheid uit zijn hoofd, zodat hij weer echt kan schrijven? Vergeet mij, zegt hij, berg mij op in een verhuisdoos ergens in de virtuele wereld!

Ik mijmer. Het zou me wel rust geven, maar ondanks zijn verontrustende aanwezigheid, ben ik wel gesteld op hem. Nee, zeg ik, nee, ik kan nog niet zonder jou in deze koude tijden. Laat eens zien wat je geschreven hebt. Ik buig over hem heen, even raken we elkaar, en lees: jwl wenst al zijn lezers een gelukkig nieuw jaar toe! Dat is mooi, zeg ik, mooi. Schrijven is altijd weer ergens opnieuw beginnen.

Dan sluit ik de laptop en het dagboekje, doe het licht uit en ga naar bed. Buiten knalt het vuurwerk.