Bosch en Duin 1986-1989 III (1)

Van 11 tot en met 17 juli 1988 was ik voor de vierde maal in Taizé, daarover heb ik eerder geschreven (zie 671). Gedurende die week ontmoette ik iemand die de Tao van Poeh las, in mijn dagboek maakte ik daar een aantekening van. Toen ik aansluitend aan de week Taizé nog een paar dagen bij mijn ouders in Friesland was, heb ik er geen gras over laten groeien. Op de titelpagina van mijn exemplaar van de Tao van Poeh staat Leeuwarden, 23 juli 1988. Ongetwijfeld was ik er meteen in begonnen, maar ik vind er geen enkele notitie over in mijn dagboek. Eigenaardig, want er is bijna geen boek dat zo'n invloed op mij gehad heeft dan juist dat boek.

Wel noteer ik, wanneer ik op 26 juli weer op mijn kamer in Bosch en Duin ben, dat ik begonnen ben in de Wesendonck-Briefe, de correspondentie tussen Richard Wagner en Mathilde Wesendonck: Ik ben hierin op zoek naar passages over oosterse literatuur en Boeddhisme. (...) Wagner heeft nog maar net het "Asyl" betrokken. Het is om mijn eenzaamheid te verlichten dat ik deze zoektocht heb opgenomen (26 juli 1988). Richard Wagner was betrokken geweest bij de opstand in Dresden in 1849. Deze opstand mislukte en Wagner kon met hulp van Franz Liszt vluchten naar Zwitserland. Daar werd hij opgevangen door geldschieter en bankier Otto Wesendonck die Wagner onderdak bood. Wagner was niet te beroerd om vervolgens een geheime relatie aan te gaan met de vrouw van zijn mecenas, Mathilde. De liefde maakte geen kans, bleef uiteindelijk ontbeantwoord. Wagner vertrok naar Venetië en schreef daar zijn Tristan und Isolde. Een onbeantwoorde liefde en een leven in eenzaamheid, een romantisch broeierig relaas, ik zocht het wel op.

Het woord 'eenzaamheid' doemt in die tijd vaak op in mijn dagboek. Ik moest nog de hele maand augustus overbruggen voordat in september de colleges weer zouden beginnen. Weliswaar zag ik P. een keer per week, maar hij had het verder druk met vakantiewerk en zijn nieuwe relatie. Ik moest zelf initiatief nemen en dus verzon ik uitstapjes om de lege dagen in Bosch en Duin te doorbreken. Zo stond ik vrijdag 29 juli vroeg op om naar Amsterdam te gaan. Ik bezocht het Stedelijk Museum en zat heel lang te kijken naar de doeken van Anselm Kiefer en Marc Chagall. Daarna ging ik naar het Van Gogh Museum, maar daar was ik binnen het uur weer vertrokken. Toch al geen fan van Van Gogh, had ik geen zin om over al die schouders van de toeristen heen te kijken om een glimp van de doeken op te vangen. Ik dwaalde nog wat door Amsterdam, ging was boekhandels binnen en luisterde op de Dam naar een aantal slagwerkers. Natuurlijk had ik gehoopt om toevallig H. tegen te komen, maar dat was een illusie. Nog voordat ik de trein terug nam, belde ik haar nog, maar ze was niet thuis. Het uitstapje naar Haarlem dat ik een aantal dagen later maakte, had natuurlijk dezelfde motivatie, maar toeval laat zich niet dwingen. In Haarlem ging ik naar het Frans Hals museum, bezichtigde de Bavo-kerk en keek naar een tapdanseres op de Grote Markt.

Toch zou H. die dag in Amsterdam dichtbij geweest zijn. Ze was die dagen verhuisd naar de Quellijnstraat op loopafstand van het Stedelijk Museum. Er kwam een verhuiskaart: Met ingang van vrijdag 5 augustus heeft Amsterdam er een bezienswaardigheid bij: In het hart van de Pijp (...) Kom snel eens langs. En juist dat laatste besloot ik nu eens niet te doen. Twee dagen had ik zoekend door Amsterdam en Haarlem gedwaald en op het moment dat ik uitgenodigd werd, besloot ik de voorkeur te geven aan de eenzaamheid van mijn kamer. Ik las de Wesendonck-Briefe, maar ook De eerste sneeuw van het jaar van Hubert Lampo, Gödel, Escher, Bach van Hofstädter en Tranen der Acacia's van Willem Frederik Hermans. Het boek dat ik voor mijn studie had gepland, Handbuch der Musikinstrumentenkunde van Curt Sachs blijft ongeopend.

Wanneer ik mijn dagboeknotities uit de maand augustus lees, kan ik geen andere conclusie trekken dan dat mijn leven in die maand langzaam maar zeker in een stroomversnelling raakte. Ik kom nauwelijks aan schrijven toe in mijn dagboek, maar als er geschreven wordt, dan zijn het lange verslagen van de gebeurtenissen die ondertussen hadden plaatsgevonden.

Mijn moeder kreeg half augustus een hartaanval. Het liep goed af, maar meer dan er notitie van maken deed ik niet. Het was een onrustige tijd, waaruit ik me afgelopen dinsdag [16 augustus?] heb losgemaakt door me door pa naar hier te laten brengen. Om te vervolgen met: Hier belandde ik in eenzaamheid. Gelukkig vond ik een brief van H. en een kaart van E. Dat was een troost, maar het eenzame gevoel bleef. Niets verder over die brief van H., terwijl het een brief van acht kantjes was! (Lieve JW. Nu de ergste verhuisdrukte achter de rug is, heb ik mooi even de tijd om de pen ter hand te nemen en je met enkele woorden van informatieve en wellicht meditatieve aard te verblijden (Bent u daar nog?)) Woensdag voelde ik me zo beroerd dat ik een afspraak maakte met een kennis in Amersfoort die ik sinds de zomer in Taizé 1986 niet meer gezien had. Schijnbaar hadden we op één of andere wijze contact gehouden, want ik wist dat hij intern woonde in een verzorgingstehuis voor demente bejaarden (IJselbergh). Donderdagmiddag ging ik bij hem op bezoek, bleef er eten en maakt 's avonds contact met collega's van hem. Vrijdag ging ik naar Utrecht om muziek te lenen uit de bibliotheek (So what van Miles Davis). Toen ik weer thuis op mijn kamer naar de cd luisterde belde H. op. Ik had haar ondertussen een brief gestuurd en naar aanleiding daarvan belde ze. Ze had de avond tevoren ook al gebeld, de avond dat ik naar R. was. Ik kreeg een stortvloed van verhalen over me heen en het duurde flinke tijd, voordat het gesprek kon stoppen, daar Van der K. al ongeduldig te kennen had gegeven, dat ze een telefoontje wilde plegen. Gisteren [20 augustus] ben ik dan afgereisd naar de Quellijnstr. al waar ik een aardige dag heb doorgebracht. Ik kon blijven eten en 's avonds zijn we naar de stamkroeg van H. gegaan. (...) Op een gegeven ogenblik merkte ze op, dat ze het zonde vond om op goede vrienden verliefd te worden, daar ze bang was, dat als het uit zou gaan, het een verloren vriendschap zou blijken.