Gelukkig was ik niet zoals Thales van Milete in een kuil gevallen, maar door het vele turen naar de hemel waren mijn voeten de weg kwijt geraakt. De weg had mij ver van huis in het niemandsland gebracht, maar in plaats van de andere zijde van de grens te bereiken, was ik nu verdwaald in een dichtbegroeid bos. Hoe verder ik zocht naar de weg, hoe donkerder en woester het bos werd. Aan de voet van een heuvel keek ik omhoog en zag de zon schijnen op het bladerdak. Hoe lang zou het nog duren voordat de zon achter de heuvel zou verdwijnen? Ik liep nog een paar honderd meter en stuitte toen op een uitkijktoren. Monter begon ik aan de beklimming, in de hoop boven te kunnen zien waar ik me bevond en hoe ik de weg terug zou kunnen vinden. Ik was nog niet halverwege toen ik hoogtevrees voelde opkomen. Mijn evenwicht werd onzeker, de angst kroop via mijn benen omhoog, de toren leek heen en weer te wiegen. Ik probeerde mezelf te vertellen hoe irreëel deze angst was, dat me niets kon gebeuren, maar voor de zekerheid hield ik me goed vast. Bezweet van vermoeidheid en angst kroop ik helemaal boven in de toren naar de rand om in de verte te zoeken naar iets wat op mijn weg zou kunnen wijzen. Er was niets te zien dan een woest landschap in het donkerrood van een ondergaande zon.

Er begonnen wolven te janken in de verte. Terwijl ik afdaalde was het donker geworden en leken de wolven dichterbij te komen. Ik besloot de toren niet te verlaten en beneden te wachten op wat komen ging. Hoe lang ik daar gezeten heb weet ik niet, maar plotseling verstomde het gejank van de wolven en zag ik een gestalte tussen de bomen verschijnen. Het was een man die er aanvankelijk uitzag als een hells angel, maar toen hij dichterbij kwam zag ik dat het een boswachter was. 'Hé, hallo,' riep ik, 'kunt u me helpen?' De man leek niet verbaasd mij te zien en kwam zwijgend de trap op. 'Ik zoek de weg om uit dit niemandsland te komen,' probeerde ik. De man reageerde niet, pas toen hij vlak bij me stond, boog hij zich naar mij toe en fluisterde: 'Er is geen weg om hier vandaan te komen, want weet u, zum Raum wird hier die Zeit. Alleen door de tijd kunt u dit gebied verlaten.' Hij draaide zich om en wenkte me om mee te komen.

We liepen nauwelijks en toch had ik het gevoel een grote afstand af te leggen. Zo moeten we de hele nacht verder gegaan zijn, want toen we bij een grote poort aankwamen, diende de zon zich alweer aan in het oosten. Mijn gids draaide zich om en keek me vragend aan. 'Wat is er achter deze poort?' vroeg ik. 'Dat weet niemand,' antwoordde hij, 'niemand is hier binnen gegaan, deze poort is alleen voor u.' Ik deed een stap naar voren en toen legde hij zijn hand op de mijne en met een blij gezicht, dat me troost gaf, leidde hij me binnen in die geheimzinnige wereld.